1         Ontwerponderzoek
!Jong; Duin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Taeke de Jong

Leen van Duin

 

1.1   Objecten en contexten bekend en constant.. 80

1.2   Vergelijkbaarheid................................................ 82

1.3   Operationaliseerbaarheid.................................. 82

1.4   Contextafhankelijkheid....................................... 83

1.5   Contexten en perspectieven............................. 84

1.6   Doel- en middelengericht................................... 84

1.7   Vorm is geen beleving(sfunctie)...................... 85

1.8   Functionalisme, formalisme, structuralisme 86

1.9   Vergelijkingsgrondslagen................................. 87

1.10 Vaktaal.................................................................... 88

1.11 Legenda................................................................. 88

1.12 Ontwerpproces.................................................... 89

 


Ontwerponderzoek komt - hoewel vaak impliciet - altijd neer op het vergelijken van ontwerpen. Ook al wordt slechts één ontwerp onderzocht (casuistiek, n = 1 studie), dan wordt dit toch tegen de achtergrond van de ontwerpprofessie, haar begripsvorming en vaktaal en dus op grond van ervaring met andere ontwerpen gedaan. Bij de beschrijving van een ontwerp moet men zich van deze impliciete referenties bewust zijn, ze eventueel vermelden of zelfs afbeelden. Bij ontwerponderzoek is tenminste één ontwerpobject en zijn context expliciet beschreven. Na de beschrijving begint de analyse.

Lefaivre_en_Tzonis[1] herkennen bijvoorbeeld in de plattegrond van het Burgerweeshuis van Van_Eyck zowel de meer klassieke architectuurcanons als die van 'De_Stijl'. Zij beschrijven hoe van Eyck ze combineert met nieuwe ontwerpmiddelen waarin men beide kan aflezen. Ze benoemen een aantal compositiemiddelen, niet alleen de bekende klassieke en moderne, maar ook hun nieuwe synthese in van Eycks werk. Of men bij ontwerp-onderzoek altijd vanuit een probleemstelling met vooraf gedefiniëerde begrippen en daarin uitgedrukte hypothesen doelgericht op zoek moet gaan naar overeenkomsten met eerdere ervaringen, is de vraag. Ontdekt men dan wel die onbenoem­bare nieuwe eigenschappen die men door ontwerponderzoek op het spoor wil komen (exploratief_onderzoek, heuristiek), of loopt men dood in begripsvernauwing die de conventie van het woordgebruik ons oplegt?

Is alles in woorden te zeggen of moet de tekening te hulp komen? Hoe wetenschappelijk is de conclusie dan?

 

Cesariano, 1521

Mondriaan, 1942-1944 Victory Boogie Woogie

Eyck, 1960

Burgerweeshuis

 

Lefaivre en Tzonis, 2000, zien overeenkomsten in ontwerpmiddelen

 

Zijn op hun beurt woord en tekening voldoende om de ervaring (en voor zover niet verbaal uitdrukbaar, intuïtie) van de ontwerper, haar of zijn 'ontwerp­middelen' (materiaalkeuze, vorm­geving, struc­tuurgeving, functiegeving, intentiegeving, de integratie van hun strijdigheid of onvergelijkbaarheid) met voorbeelden overdraagbaar te maken? Als die poging in mystiek blijft steken en alleen het vóórdoen slaagt, is de ambitie van het universitaire ontwerponderwijs niet meer te verdedigen. Dan rest slechts de meester-gezel-verhouding van de ambachtelijke praktijk.

 

1.1        Objecten en contexten bekend en constant

Bouwkundige context omvat alles wat buiten het kader (of binnen de korrel) van het beschouwde ruimtelijke object daarop invloed zou kunnen hebben (zoals de vorm van de locatie en haar inrichting voorafgaand aan het ontwerp) of andersom (zie blz. …). Tot de context behoort de situatie, de locatie en het programma_van_eisen.

 

 

Context staat dus strikt genomen niet naast of tegenover vorm[2]. De (historische en toekomstige) ruimtelijke context heeft immers ook vorm en wel op elk schaalniveau een andere. Als variant op het schema van Frieling[3], is in onderstaande tabel een overzicht gegeven van onderzoekvormen waarin het ontwerp een rol speelt.

 

CONTEXT

OBJECT

Bepaald

Variabel

Bepaald

Ontwerp-onderzoek

Onderzoekend ontwerp

Variabel

Typologisch onderzoek

Ontwerpend onderzoek

 

Onderzoekend_ontwerp is dagelijkse praktijk in ieder adviesbureau dat niet uitsluitend onnaspeurbaar gevoelsmatig werkt (zie …). Er moet een object voor een bepaalde context (ruimtelijk, ecologisch, technisch, economisch, cultureel, bestuurlijk) worden ontworpen. Men zoekt nieuwe mogelijkheden voor die bepaalde context. Deze vorm van onderzoek komt aan de orde op blz. ….

 

K.van Velsen, onderzoekend ontwerp voor de bibliotheek te Zeewolde.

 

In bovenstaande figuur onderzoekt bijvoorbeeld K. van Velsen de mogelijkheden van een programma en situatie voor zijn bibliotheek[4]. Zulk onderzoek omvat een formele_analyse en een functionele_analyse van de bestaande materiële en maatschappelijke (programmatische) context. Daarnaast wordt impliciet (uit het geheugen) of expliciet (met begeleidende documentatie) een (beperkt aantal) relevante precedenten[5] onderzocht op zoek naar mogelijke ontwerpmiddelen. Dit is strikt genomen ontwerponderzoek, en in dit hoofdstuk aan de orde. Ontwerp-onderzoek scherpt het inzicht in mogelijke oplossingsrichtingen van een ontwerpprobleem en draagt zo bij aan de ontwikkeling van een beredeneerde opvatting over ontwerpen[6]. Zodra een ontwerp klaar is, dus ook het object bepaald, kan het empirisch onderzocht worden op zijn externe (contextuele) effecten, maar ook naar de, binnen het ontwerp toegepaste, ontwerpmiddelen en hun afwisseling bij het ontstaan van een ontwerp.

 

Ontwerponderzoek naar het ontwerpproces  van de bibliotheek te Zeewolde4.

 

Na een aantal ontwerp-onderzoeken in verschillende contexten, ontdekt men een geheel van karakteristieke eigenschappen die kenmerkend zijn voor een groep van bouwwerken, onafhankelijk van de context. Men spreekt dan van typologische_overeenkomsten. Een type kan men schematisch weergeven. Men kan controleren of het in verschillende omstandigheden als architektonische of stedebouwkundige vorm of structuur terugkeert en dezelfde werking (bijvoorbeeld functionele kenmerken) behoudt (typologisch_onderzoek).

 

typologisch onderzoek bibliotheken

 

Het type is dan context-onafhankelijk. Dit betekent niet dat de context voor de typologie onbelangrijk is. De context is variabel en dus in zijn variatie juist object van onderzoek: object(context). Per (relatief) context-onafhankelijk type worden immers vervolgens varianten op dat type beschreven waarvan het voorkomen weer wel van de context afhankelijk kan zijn. Hier is dus de mate waarin de ruimtelijk-functionele constellatie van het ontwerp afhankelijk is van de context en dus haar generaliseerbaarheid aan de orde. Dit onder­zoek is in hoge mate begripsvormend voor de ontwerppraktijk en de communicatie tussen ontwerpers, zowel in de naamgeving van het type als van de context. Deze vorm van onderzoek is aan de orde op blz. …

Tussen object en context bestaat een wisselwerking. Als deze al in het ontwerpproces voelbaar is, doordat nu eens het object, dan weer de context object van schaalwisselend_ontwerp is, spreken wij van ontwerpend_onderzoek. Deze vorm van onderzoek is aan de orde op blz. ….

 

Ontwerpend onderzoek afstuderen vd. Voort

 

Wat is het verschil tussen ontwerponderzoek, typologisch onderzoek, onderzoekend ontwerp en ontwerpend onderzoek? Welke kenmerken van het ontwerp herkent men als 'type' en wat is variant? Hoe formuleert men deze uit een tekening zo vanzelfsprekend lijkende kenmerken in meer abstracte begrippen? Welke soorten van contexten moet men onderscheiden om te kunnen bepalen wat context-afhankelijk is? Hoe beschrijft men 'context', om nog maar te zwijgen van het variëren van context om te zien wat in het type blijvend en variabel is?

1.2        Vergelijkbaarheid

Rood en rond is niet vergelijkbaar: iets kan niet roder zijn dan rond, het ene ontwerp kan niet roder zijn dan de mate waarin het andere ontwerp rond is. Men kan alleen in poëtische zin zeggen dat een ontwerp bruikbaarder is dan stevig of steviger dan mooi (om de categorieën van Vitruvius[7] aan te halen). De vergelijking krijgt pas een wetenschappelijk karakter als een onderliggende gemeenschappelijke vergelijkingsgrondslag is geëxpliciteerd.

 

Welke vergelijkingsbasis? [8]

 

Bij het vergelijken van ontwerpen of van hun onderdelen, bekend en benoemd uit andere ontwerpen, doet zich onontkoombaar de vraag voor, òf zij wel vergelijkbaar zijn en zo ja, in welk opzicht. Met andere woorden: welke vergelijkingsbasis kiest men? In het geval van rood en rond hebben deze eigenschappen elk een verzameling voorbeelden van rode en ronde voorwerpen (extensie). Om ze te vergelijken is een derde, aftelbare verzameling nodig, bijvoorbeeld de verzameling herkenbare voorwerpen die naar kleur en/of vorm meer of minder herkenbaar kunnen worden gerangschikt, zodat met kan zeggen 'dit ontwerp is herkenbaarder aan zijn kleur dan aan zijn vorm'[9]. In dat geval is herkenbaarheid de vergelijkingsbasis voor rood en rond, kleur en vorm.

Hoe ligt dit bij bruikbaarheid, duurzaamheid en schoonheid?

Kan men vergelijkingsgronden vooraf formuleren, of moet men zich door het ontwerp laten verrassen (heuristische, exploratieve beschrijving, zie …, blz. …) ten einde wezenlijk nieuwe principes niet over het hoofd te zien?

1.3        Operationaliseer­baarheid

Risselada[10] stelt twee kenmerken van architectonische ontwerpen tegenover elkaar: Raumplan<>Plan_libre. Hij toont een groot aantal overtuigend verschillende voorbeelden van beide uit het werk van Loos en Le Corbusier zonder de kenmerken van beide sluitend te kunnen definiëren.

Gesteld, dat de mate waarin ruimtegrenzen en draagconstructie samenvallen een aftelbare indicator 'x' is waaraan men het 'Raumplankarakter' R van ontwerpen zou kunnen afmeten.

 

 

Raumplan

Plan libre

 

Het zoeken naar zulke aftelbare variabelen heet 'operationaliseren'. De mate waarin zij de te onderzoeken eigenschap representeren heet 'validiteit', de mate waarin hun ranking of meting de werkelijkheid benadert 'betrouwbaarheid'.

 

validiteit

betrouwbaarheid

R(x,y,z)

R(x,y,z)

 

 

werkelijkheid

R = te toetsen eigenschap

x,y,z = tenminste aftelbare variabelen waarin de te toetsen eigenschap geoperationaliseerd is

 

Het doel van operationaliseren is een op zichzelf onmeetbare eigenschap R voor meer kwantitatief onderzoek toegankelijk te maken. De waarde van genoemde variabele x is hoog bij het Raumplan, laag bij het Plan libre, zodat beide eerder benoemde extremen een werking van x zijn: Raumplan<>Plan_libre(x). Kenmerkt x echter het hele verschil, of is dat nog maar 'de halve_waarheid'. Moeten er nog aanvullende indicatoren, bijvoorbeeld y en z gezocht worden: Raumplan<>Plan_libre(x, y, z)? Hoe staan x, y en z met elkaar in verband? Als zij overlappen worden er aspecten dubbel gemeten (dubbeltelling), als er leemten vallen schiet de validiteit tekort. Moeten zij even zwaar meetellen of moet elke factor een weging meekrijgen?

Hoe kan men tot dusverre onvergelijkbare gevallen vergelijken? Wat is validiteit, betrouwbaarheid? Noem enkele eigenschappen van ontwerpen die tot op heden niet geoperationaliseerd zijn. Zijn zij fundamenteel niet te operationaliseren, of is het wachten slechts op een intelligente onderzoeker?

1.4        Contextafhankelijkheid

Als een ontwerp een locatie heeft, heeft het een materiële(ruimte­lijke,ecolo­gische,tech­ni­sche) en een maatschappelijke(eco­nomi­sche,cul­tu­rele,be­stuurlijke) context. Die context zal veranderen. De ontwerper anticipeert op toe­komstige contexten (perspectief) voor zover die op het tijdstip van ontwerpen waarschijnlijk zijn. Ieder ontwerp dat van ieder ander ontwerp in plaats en/of tijd verschilt, verschilt in context en perspectief. Dit werpt vragen op ten aanzien van de vergelijkbaarheid, al worden die in onderzoek dikwijls verwaarloosd ('ceteris_paribus'). Hetzelfde ontwerp heeft echter in elke materiële en maatschappelijke context op verschillende schaalniveaus een ander effect. Men kan dus strikt genomen geen effecten benoemen aan de hand van eerder naamgegeven effecten als de context verschilt. De ruimtelijke omgeving kan bijvoorbeeld bebouwd en onbebouwd zijn. Meer algemeen kan men dat concentratie en deconcentratie van bebouwing in een straal van ca. 30m, 100m, 300m enzovoort noemen. Zo is het Schröderhuis van Rietveld ooit gezien als afsluitende_bebouwing aan de rand van Utrecht.

 

Beeldarchief Jeffery Howe, Boston College[11]

Rietveld Schröderhuis

 

Inmiddels ligt er een snelweg voor, en aan de overkant daarvan strekt zich nieuwe bebouwing uit. De bebouwingsconcentratie in een straal van 300m is groter geworden. Het gebruik is veranderd, de kosten van onderhoud, de eigendomsverhoudingen, het beheer. Is het effect nog hetzelfde? Heeft dit gebouw nog dezelfde kenmerken in deze context? In hoeverre is het concept, het type, het model (dat zijn 3 verschillende dingen!) nog toepasbaar voor nieuwe ontwerpen in andere contexten? Dit is al onderwerp van typologisch onderzoek. Het ontwerp-onderzoek zelf beperkt zich tot het nauwgezet beschrijven van het object, zijn context en het analyseren van effecten daarbinnen.

Hoe kan men ruimtelijke contexten en perspectieven van een ontwerp operationaliseren?

1.5        Contexten en perspectieven

Er zijn niet alleen ruimtelijke contexten en perspectieven. De ecologische_context kan bijvoorbeeld variëren tussen een kleine en grote verscheidenheid aan ondergrond, begroeiing, bebouwing en gebruik: homogeniteit<>he­tero­geniteit in een straal van 30m, 100m 300m enzovoort (zie blz. …). Hetzelfde geldt op elk schaalniveau opnieuw rondom het bouwkundige ontwerp ten aanzien van de technische, economische, culturele en bestuurlijke contexten. Bij de technische context moet men denken aan functiescheiding<>in­tegratie binnen constructies[12], tussen constructies maar binnen gebouwen[13], tussen gebouwen, maar binnen het ensemble[14], binnen buurten[15], binnen wijken[16], binnen steden[17], landschappen[18]. De economische_context wordt bepaald door krimp<>expansie bij de gebruiker, beheerder, gemeente, provincie, rijk. Cultureel kan er een groot verschil zijn in de gerichtheid op traditie<>experiment bij consumenten, producenten, betrokkenen, passanten. Bestuurlijk moet men zich afvragen welke instantie sturend<>volgend optreedt: de gebruiker, de exploitant, de gemeentelijke, provinciale of rijks-overheid.

Hoe kan men andere dan ruimtelijke contexten en perspectieven van een ontwerp operationaliseren? Waarom is het expliciteren van contexten en perspectieven bij ontwerp-onderzoek nodig?

1.6        Doel- en middelengericht

Als het ontwerp, de contexten en het perspectieven waarbinnen het ontwerp gemaakt is, voldoende zijn beschreven, kan men verschillende dingen analyseren. De methodisch meest ontwikkelde analyse beantwoordt de vraag of het ontwerp binnen die context aan zijn doel beantwoord heeft (doelgericht­_on­der­zoek): middelen(doel). De methode van het doelgericht onderzoek wordt nader aan de orde gesteld in de hoofdstukken over evaluatie of effectanalyse (zie …). Er zijn echter tal van bouwkundige oplossingen voor hetzelfde doel waarvan de variatie niet uit de doelmatigheid kan worden verklaard.

 

verschil niet uit het doel verklaarbaar[19]

 

Ook het vermogen om in veel of onvoorziene (niet-geprogrammeerde) functies te voorzien (multifunctionaliteit, robuustheid) is een onderzoekbare kwaliteit.

Men kan de vraag dus ook omkeren: als in het ontwerp deze middelen zijn toegepast, welke doelen zouden daarmee gediend kunnen zijn: doel(middelen)? Dat is middelengericht onderzoek, omdat in de relatie functie(vorm) of functie(structuur) de ontwerpmiddelen zoals vorm en structuur onafhankelijk gevarieerd worden om hun werking op de functie te kunnen bepalen. Kan een rond gebouw als spoorwegstation gebruikt worden?

 

M=f(D)

D=f(M)

Middelen als resultaat van Doel of omgekeerd?

 

Kan een hal met een overspanning van 50m als spoorwegstation fungeren? Een ontwerp kan ook tal van verbaal nog onbenoembare functies hebben zoals bepaalde vormen van beeldwerking of onbenoemde 'functionele_potenties' die nooit in een programma zijn opgenomen. Kan men zich in een rond gebouw thuis voelen, zich oriënteren? Hier doemen meer omvattende werkingen op, die moeilijker empirisch te operationaliseren zijn zoals 'herbergzaamheid' of 'transparantie'.

Het te rapporteren effect kan ook de structuur of vorm van de ontwerpen zelf betreffen, zoals de relaties structuur(vorm) of vorm(vorm) (compositie). In dat geval richt de aandacht zich geheel op de formele_ontwerpmiddelen, de gereedschapskist van de ontwerper. Laat een ronde vorm zich combineren met rechthoekige vormen? Na deze vraagstelling kan op een hoger niveau weer de structurele werking van zulke combinaties aan de orde zijn: structuur(vorm(vorm)). Welke technische consekwenties heeft een combinatie van rechthoekige en ronde vormen?

Wat is het verschil tussen doel- en middelengericht onderzoek?

1.7        Vorm is geen beleving(sfunctie)

Het onderzoek naar de ontwerpmiddelen is onderzoek naar de instrumenten die ons buiten het waarschijnlijke van de empirische werkelijkheid op het terrein van het mogelijke (zie …) kunnen brengen. Daarin is de verhouding tussen vorm en functie in het ontwerp én in het ontwerpproces cruciaal. Vorm heeft een zintuiglijke(visuele,tactiele,motorische) en conceptuele functie, maar is daaraan niet gelijk, al zal het woordenboek (vorm is uiterlijke gedaante) dat misschien suggereren. Vorm wordt door mensen beleefd, maar vorm is niet hetzelfde als die belevingswaarde. Het bepaalt bijvoorbeeld ook functionele en constructieve mogelijkheden. Vorm (en formaat!), losgezien van een eventuele werking is de spreidingstoestand van aanéénsluitend materiaal zoals die bijvoorbeeld in coördinaten kan worden vastgelegd, onthouden en gerepresenteerd.

 

 

spreidingstoestanden

 

Geconcentreerde spreidingstoestanden kunnen met een contour omschreven worden. Als in een spreidingstoestand een regelmaat gevonden wordt, is sprake van een patroon. Een patroon van toenemende verdichting is een gradiënt. Deze kan centraal, bimodaal, trimodaal zijn.

Vorm vooronderstelt dat iets vorm aanneemt (materiaal), ruimte, uitdrukbaar in een legenda.

 

 

legenda (materiaal)

 

De legenda-eenheden nemen in de tekening een spreidingstoestand aan, gelijkvormig aan die van materiaal of ruimte in de werkelijkheid. Die vorm wordt door verschillende mensen vanuit verschillende standpunten verschillend gezien en van betekenis voorzien. Vorm is dus niet hetzelfde als beleving. Beleving is een externe werking (functie)  van de vorm. Het beeld van de vorm is echter weer iets anders dan de beleving van een vorm: een beeld kan immers aan de vorm voorafgaan, een beleving niet. In elke bouwkundige tekening zijn materiaal en ruimte primaire legenda-eenheden die vorm, structuur en functie kunnen krijgen of beogen. Dat geldt ook voor het beeld of de verbeelding van beide[20].

 

 

materiaal

ruimte

beeld

vorm (spreidingstoestand)

massa

verdeling

uiterlijk

structuur (scheidingen en verbindingen)

constructie

geleding

compositie

functie (externe werking)

fysica

gebruik

betekenis

 

Is vorm alleen de uiterlijke gedaante, zoals het woordenboek dat suggereert? Volgt in het ontwerpen de vorm een functie? Volgt de functie na realisatie vervolgens de vorm?

1.8        Functionalisme, formalisme, structuralisme

Ook verschillende fasen van dezelfde locatie of van hetzelfde ontwerp kunnen worden vergeleken. In dat geval betreft ontwerponderzoek een ontwerpproces waarin de aanvulling of wijziging van de tekening (het tekenen) geëvalueerd wordt.

Functionalisme (Häring (1922) koestal Holstein)

 

Formalisme (Gehry (1998) museum Bilbao)

 

Wanneer moet de ontwerper de gewenste gebruiksfunctie naar vorm vertalen (functionalisme[21], Sullivan …) en wanneer mag een vormconceptie[22] vooropstaan (formalisme[23], …)? Programma (letterlijk voor-schrift) wordt in dit artikel als werking van (voorgeschreven) functie gezien[24]. Het mondt uit in voorgeschreven formaten en scheidingen of verbindingen daartussen met het oog op de functie. De vraag is dan: 'moet men altijd vanuit een programma ontwerpen, of kan men uit een ontwerpstudie, bijvoorbeeld naar de mogelijkheden van de locatie, functies genereren?'

Tussen functie en vorm kan nog het (door velen als te veelduidig beschouwde) begrip 'structuur' geplaatst worden: de verzameling verbindingen en scheidingen waarmee samenstellende delen een meer dan incidenteel geheel vormen. Dat impliceert méér dan de wijze waarop com-ponenten zijn samen-gezet (com-positie) of een regelmaat daarin (patroon). Kan men vanuit de structuur ook vorm en functie bepalen (structuralisme)?

 

Structuralisme (Blom (1962) Prix de Rome)

 

Is het programma van eisen een werking van de voor-onderstelde functie? Omvat structuur meer dan het gebied van de techniek? Wat is het verschil tussen compositie, patroon en structuur?

1.9        Vergelijkingsgrondslagen

Bij het vergelijken van ontwerpen of ontwerpfasen doet zich onontkoombaar de vraag voor of zij wel vergelijkbaar zijn en zo ja, in welk opzicht. Met andere woorden: welke vergelijkingsgrondslag kiest men? Is het zinvol ontwerpen met een bepaalde omvang, materiaaltoepassing of kleur te vergelijken, met bepaalde vormprincipes, technische, functionele of intentionele principes? Kan men deze principes vooraf formuleren of moet men zich door het ontwerp laten verrassen ten einde wezenlijk nieuwe, nog niet geformuleerde principes te ontdekken? Legenda(materiaal)[25], vorm[26], structuur[27], functie[28] en intentie zijn elkaar in deze volgorde vooronderstellende vergelijkingsgrondslagen. Eén van deze aspecten (bijvoorbeeld functie) kan men binnen gegeven grenzen variëren (de onafhankelijk_variabele) om het effect van die variatie (de afhankelijk_variabele) op zichzelf of op de andere aspecten (bijvoorbeeld vorm) te rapporteren.

Men kan de functie binnen gegeven grenzen (bijvoorbeeld 'spoorwegstations') met verschillende ontwerpvoorbeelden variëren. Men vergelijkt vervolgens verschillende gebouwen met min of meer dezelfde functie om te zien welk effect dat heeft op hun structuur (de aangebrachte scheidingen en verbindingen). Dat is dan één van de 25 hier onderscheiden theoretisch mogelijke vormen van ontwerponderzoek: structuur(functie)[29]. Hier is dus de structuur als werking van de functie aan de orde of in engere zin als werking van het doel (intentie). Structuur is een ontwerpmiddel en deze vorm van onderzoek kan men doelgericht_onderzoek noemen omdat de functie of het doel als onafhankelijk variabele wordt gevarieerd met bepaalde ontwerpmiddelen als resultaat: middelen(doel). Zulk onderzoek kan als evaluerend onderzoek worden uitgevoerd. Daarbij kunnen de in de volgende hoofdstukken genoemde methoden (voorspellend, evaluerend, optimaliserend onderzoek) benut worden.

Met welke vergelijkingsgronden kan men ontwerpen vergelijken?

Hoe kan men doel- en middelengerichte vormen van ontwerponderzoek onderscheiden?

 

werkingen tussen legenda, vorm, structuur, functie en intentie

onafhankelijk variabel:

 

afhankelijk variabel:

(legenda)

(vorm)

(structuur)

(functie)

(intentie)

intentie

 

 

 

doel-

(functie)

ideologie

functie

 

functie-

(vorm)

functie-

(structuur)

mens-

wetenschap

 

structuur

 

structuur-

(vorm)

constructie

structuur-

(functie)

structuur-

(doel)

vorm

 

compositie

 

functio-

nalisme

 

legenda

begrips-

vorming

 

 

 

 

1.10    Vaktaal

Bij de vergelijking van ontwerptekeningen en hun toelichting kan men allereerst naar de ‘taal’ kijken[30]. De al of niet impliciete legenda. kan bijvoorbeeld als het vocabulaire van de tekening[31] worden opgevat, de naamgeving van, en toelichting op, volumes en oppervlakken, lijnen en punten die naar een lager schaalniveau dan dat wat in de tekening verteld wordt verwijst, alsmede de "voegwoorden" en "werkwoorden" die deze objecten in een structuur(verbindingen<>scheidingen) tot een werkzaam en duurzaam geheel samensmeden. In de legenda hebben de naamgegeven objecten nog geen vorm, die krijgen zij in de tekening, door de begrenzing van hun context. Het geheel van regels waarmee ontwerpers punten. lijnen, vlakken en volumes samenstellen is in dit jargon de ‘grammatica[32].

Dergelijk onderzoek past in de traditie van de wetenschappelijke taaldiscussie[33]. Hier treedt allereerst het soort fundamentele vragen op zoals: wat heeft de tekening met de voorstelling van de ontwerper en zijn metaforen, met de gebouwde werkelijkheid en met de voorstelling van de gebruiker gemeen[34]? Vervolgens komt de vraag aan de orde welke naamgeving, welk jargon specifiek is voor de bouwkunde. Kan er een woordenlijst (thesaurus) worden samengesteld voor moeilijk verbaal weer te geven ruimtelijke constellaties[35]? Is het wellicht beter transformaties[36] in het ontwerp te benoemen (ontwerpend onderzoek)?

Hoe kan men de taal van een tekening en haar toelichting tot vergelijkingsgrondslag maken?

1.11    Legenda

Ontwerpen met een verschillende legenda zijn moeilijk met elkaar te vergelijken. De legenda is voorts schaal-afhankelijk. Op elk schaalniveau worden de ruimtelijke categorieën van het lagere schaalniveau als type samengevat in de grovere korrel van de tekening. Onderzoek dat de legenda als vergelijkingsgrondslag vooropstelt dient dus ontwerpen van hetzelfde schaalniveau met elkaar te vergelijken. Een beeldarchief dat schaal als trefwoord heeft, maakt dit soort onderzoek mogelijk (zie .. blz….). Vormvergelijking kan echter ook ontwerpen van verschillende schaalniveaus (schaalwisselend_onderzoek) met elkaar vergelijken (Kopenhagen, Amsterdam en Arnhem behoren als vingerstad tot een andere schaalcategorie dan New York).

 

Zodra verschillende ontwerpen vergelijkbaar zijn in hun legenda (tot hetzelfde vocabulaire herleid kunnen worden), doemt met name in de stedebouw de vraag op hoe elke legenda-eenheid afzonderlijk aanéénsluitend of diffuus gespreid kan zijn (vorm of spreidingstoestand) in de tekening en in de werkelijkheid. Daarmee worden immers de ruimtelijke voorwaarden geschapen voor de wijze waarop zij aan elkaar zijn blootgesteld (compositie), met elkaar in verband staan (struktuur), welk visueel, fysiek, maatschappelijk of cultureel effect zij in deze vorm en samenhang hebben (functie) of beogen (intentie).

 

Hier zijn nog slechts enkele zinvolle taalgerelateerde vergelijkingsgronden aangegeven.

Men kan bijvoorbeeld inplaats van de legenda de vorm als primaire vergelijkingsgrond kiezen. Daarmee houdt men dat wat deze vorm aanneemt (de legenda-eenheid) en dientengevolge eventueel de schaal variabel. Zo kan men bijvoorbeeld alle ontwerpen met een cirkel in de plattegrond met elkaar vergelijken. Men kan dan het effect van de legenda-variatie (bijvoorbeeld hout, staal, beton) op de toegepaste techniek, functie en intentie bestuderen of de schaal-variatie. Men kan ook de functie als vergelijkingsgrondslag nemen en bijvoorbeeld alle ontwerpen voor spoorwegstations verzamelen om vervolgens daarbinnen de toegepaste ruimtevormen, composities en structuren classificeren.

In welke voorwaardelijke volgorde kan men legenda, vorm, structuur, functie en intentie als vergelijkingsgrondslagen begrijpen?

1.12    Ontwerpproces

Kiest men het ontwerpproces als vergelijkingsgrondslag, dan is een eerste indeling te maken naar de multifunctionaliteit van het produkt (de beoogde functie). Monofunctionele produkten zoals een strijkijzer, een weg, een vliegtuig, hebben een fundamenteel ander, meer naar doelvariabelen optimaliserend_ontwerpproces dan een gebouw of stad, waarin het grote aantal beoogde doelen een meer middelengerichte benadering effectiever maakt. Binnen het (stede-)bouwkundig ontwerpproces kan men onderscheid maken naar de functie: een schoolbestuur is een ander soort opdrachtgever dan een woningbouwvereniging of een spoorwegdirectie. Binnen elke functie is de mate van de beoogde multifunctionaliteit weer bepalend voor de mate waarin het ontwerpproces de functie als uitgangspunt neemt (functionele_analyse voorop, functionalisme) of de vorm (morfologische_analyse voorop, formalisme), de structuur (structuralisme), de intentie. Hier vindt het ontwerp-onderzoek aansluiting op de methodologie van het ontwerpen zelf en dus het onderzoekend ontwerp.

Hoe kan men het ontwerpproces tot onderwerp van ontwerp-onderzoek maken?


 



[1] Lefaivre en Tzonis, …

[2] Alexander, …

[3] Frieling D.H., Deltametropool vorm krijgen en vorm geven, typoscript, Delft, 1999

[4] L. van Duin c.s. (1990) Architectonische studies, Publicatiebureau Bouwkunde, TU Delft.

[5] R.H. Clark, M. Pause (1985) Precedents in architecture, Van Nostrand Reinhold Company, Wokingham

[6] L. van Duin (2000) Hybride bouwwerken, …

[7] Vitruvius …

[8] Beeldarchief Jeffery Howe, Boston College http://www.bc.edu/bc_org/avp/cas/fnart/arch/

[9] Trefwoord: herkenbaarheid(kleur,vorm), d.w.z. herkenbaarheid als werking van kleur en vorm.

[10] Risselada …

[11] http://www.bc.edu/bc_org/avp/cas/fnart/arch/

[12] bijvoorbeeld composietmaterialen, trek<>druk

[13] bijvoorbeeld dragen<>scheiden

[14] bijvoorbeeld gescheiden of gemeenschappelijke wanden, daken, aan- en afvoer, verwarming, parkeervoorzieningen

[15] bijvoorbeeld specialisatie of integratie van wonen, werken, voorzieningen

[16] bijvoorbeeld combinatie of scheiding van verkeerssoorten

[17] bijvoorbeeld gecompartimenteerde of juist doorverbonden ontwatering

[18] bijvoorbeeld combinatie van landbouw, natuurbeheer en recreatie of juist scheiding

[19] Watertorens uit de verzameling http://people.a2000.nl/tuyten/Pages/watgas2.html

[20] L. van Duin () Intreerede, …
Durand () taxonomie …

[21] Trefwoord: vorm(functie), d.w.z. vorm als werking van functie.

[22] Hier wordt niet het woord 'concept' gebruikt omdat dit verwarring schept in de universitaire communicatie met de psychologie. In de psychologie betekent 'concept' sinds Piaget de voorstelling die bijvoorbeeld een klein kind opmaakt uit zeer verschillende zintuiglijke indrukken zoals tast, zicht en motoriek. Het begrip Conceptie heeft weliswaar biologische associaties, maar deze sluiten meer aan op de scheppende betekenis in het ontwerponderzoek.

[23] Trefwoord: functie(vorm), d.w.z. functie als werking van vorm.

[24] Trefwoord van deze opvatting: programma(functie), d.w.z. programma als werking van functie. Daarbij omvat functie gebruik en beleving: functie(gebruik,beleving).

[25] Met legenda wordt hier zowel de verklarende tekencode bij een tekening bedoeld als 'dat wat vorm aanneemt' in de tekening of in de voorgestelde werkelijkheid, bijvoorbeeld 'beton', 'baksteen', 'staal' of 'parkeerplaatsen', 'wegen', 'groen', 'bebouwing'. Een gelijke legenda is meestal voorwaarde om ontwerpen te kunnen vergelijken, tenzij men juist verschillende legenda's als ontwerpmiddel wil beproeven, dan moet iets anders gelijk blijven. Hoe zou dit bakstenen gebouw er uit zien in beton?

[26] Vorm is hier bedoeld als de aanéénsluitende spreidingstoestand van het materiaal of van de ruimte in of om het materiaal. Dit kale vormbegrip omvat geen beleving. Beleving is immers een functie, een werking van die vorm(spreidingstoestand).

[27] Structuur, de wijze waarop samenstellende delen een geheel blijven wordt hier gedefinieerd als de verzameling scheidingen en verbindingen in een aanéénsluitend geheel.

[28] Met functie wordt hier 'uitwendige werking' bedoeld.

[29] Dit moet men dus lezen als 'structuur als werking  van functie'.

[30] Pasveer (27 mei 1993) onderscheidt vertooganalyse, protocol-analyse, literatuuronderzoek en interview.

[31] Zie De Jong in I.T. Klaasen, "Stromend stadsgewest, legenda-analyse".

[32] Zie Tzonis, Graafland, Sierksma en Macel.

[33] Harkes laat studenten computationele taalkunde (?) in Leiden stedebouwkundige programma's van eisen analyseren. Zij onderscheiden drie modulen in de voorgestelde programmatuur: lexicon, grammatica en conceptualisator.

[34] Wittgenstein, Derrida.

[35] Tzonis

[36] Analoog aan de transformationele taalkunde van Chomsky.