1         Stedebouwkundige ontwerpmethoden
!Westrik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

John Westrik

 

1.1        De inhoud van een stedebouwkundig

             ontwerp                                                            414

1.2        De functie van het stedebouwkundig

             ontwerp                                                            415

1.3        Waarom stedebouwkundige

             ontwerpmethoden                                         416

1.4        Wat is een (ontwerp)methode?                  417

1.5        Het toepassen van ontwerpmethoden      417

1.6        Ontwerpmethode - ontwerpopvatting       418

 


Het ontwikkelen van stedebouwkundige ontwerpen met behulp van ontwerpmethoden is het onderwerp van dit hoofdstuk. Het betreft ontwerpmethoden die specifiek ingaan op de ontwerpproblemen die zich voordoen bij een stedebouwkundig ontwerp. Alvorens op de methoden in te gaan worden eerst enige beschouwingen gewijd aan wat een stedebouwkundig ontwerp en waaruit een stedebouwkundig ontwerp is gebouwd.

 

Onder een stedebouwkundig ontwerp wordt verstaan een ruimtelijk voorstel bestaande uit een aantal veelal multi-functionele projecten en een stelsel van openbare ruimten voor een stedelijk gebied, zoals de binnenstad of belangrijke delen ervan, herstructureringsgebieden (havens, spoorwegemplacementen, fabrieksterreinen), gehele woonwijken en werkgebieden. De inpassing van grote gebouwen of de verkaveling van woningcomplexen is een onderdeel van een stedebouwkundig ontwerp[1].

 

1.1        De inhoud van een stedebouwkundig ontwerp

Wat bepaalt de inhoud van een stedebouwontwerp en welke ruimtelijke kwaliteiten zijn aan de inhoud toe te kennen? In de eerste plaats wordt de inhoud van een stedebouwkundig ontwerp bepaald door welke ontwerpmiddelen wordt verstaan de ontwerpelementen die gebruikt worden om een ontwerp te maken, zoals: ruimte vormen (afb.1) (straat, singel, plein, boulevard, en park); bebouwingsvormen (afb. 2) (verkavelingen, gesloten bouwblok, strokenbouw, enz.).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 1 ....

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 2 ...

 

Het zijn niet alleen de gekozen ontwerpelementen die van belang zijn bij een ontwerp, maar ook de wijze waarop de elementen zijn samengevoegd. Veelal wordt gebruik gemaakt van (vorm) concept om tot zo'n ruimtelijke samenhang te komen (afb. 3).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 3 ...

 

Onder een vormconcept wordt verstaan een samenhangend pakket van ontwerp ideeën die de hoofdopzet van een ontwerp bevatten. Het gehanteerde vormconcept wordt in belangrijke mate beïnvloed door  de specifieke eigenschappen van de situatie. Ook de wijze waarop het gewenste programma ruimtelijk is vertaald in de verschillende ontwerpelementen en de hierdoor ontstane verbanden (de functionele samenhang afb. 4).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 4

 

 

Naast de ingezette ontwerpelementen, het gehanteerde vormconcept en de ruimtelijke vertaling van het programma is nog van belang de manier waarop de kenmerken van de situatie zijn opgenomen in het stedebouwkundig ontwerp (afb. 5).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 5

 

Tot slot is nog van belang dat de inhoud van stedebouwkundig ontwerp vaak uit diverse ontwerp lagen is opgebouwd, waarbij ieder laag zijn specifieke ontwerpproblemen kent,  die opgelost moeten worden met verschillende soorten ontwerpelementen. Het in elkaar passen van de verschillende ontwerp lagen tot één stedebouwkundig ontwerp verdient grote zorg.

 

1.2        De functie van het stedebouwkundig ontwerp

Een stedebouwkundig ontwerp werd voornamelijk gebruikt ten behoeve van een plan van ruimtelijke ordening op basis van de wet op ruimtelijke ordening (bestemmingsplan en structuurplan, afb. 6 en 7).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 7

 

Stedebouwkunde speelt zich dan af tussen twee polen: enerzijds één via planning, procedures en besluitvorming stuurbaar proces; anderzijds een nog steeds aan de architectuur verwante ontwerpdiscipline[2]. Van der Voort[3] constateert dat er steeds meer in de stede bouwpraktijk gebruik wordt gemaakt van planfiguren die los staan van de Wet en het Besluit op de ruimtelijke ordening (stadsplannen, basisplannen, zoals b.v het plan voor de Kop van Zuid, Rotterdam, plan voor Zeebrug, Amsterdam, afb. 8)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 8

 

Dit soort planfiguren is nodig om de ruimtelijke kwaliteiten ten aanzien van de structuurbepalende elementen, verkavelingen, woningtypes en bouwhoogtes alsmede het stelsel van openbare ruimten gekoppeld aan situatieve, programmatische en (civiel)-technische en financiaale randvoorwaarden (grondexploitatie) vast te kunnen leggen. Het stedebouwkundig ontwerp is in deze gevallen een zelfstandig product geworden, dat gebruikt wordt om de publieke opinie te beaanvloeden en om financiële middelen te mobiliseren. Het stedebouwkundig ontwerp heeft een nieuwe functie gekregen naast een planfunctie, namelijk een communicatiefunctie. Meyer en Reyndorp[4] merken op dat dit soort ontwerpen geen stedebouwkundige plannen in de strikte zin van het woord opleveren en zeker geen stedebouwkundige plannen met het juridische karakter dat daaraan tot voor kort eigen was; het zijn meer ideeën die tot de verbeelding moeten spreken, die de mogelijkheden (de ‘potentie’) van een gebied voor het creëren van een “Nieuwe Stedelijkheid” aannemelijk moeten maken. Ook de in Zwang zijnde meervoudige stedebouwkunde opdrachten[5] hebben tot doel de hernieuwde aandacht op bepaalde stadsdelen te vestigen en middels ruimtelijke voorstellen aan te geven welke toekomstige ontwikkelingen mogelijk zijn en tevens welke bijdrage aan het totale stadsbeeld geleverd wordt. Het komt erop neer dat het stedebouwkundig ontwerp wordt losgekoppeld van de ruimtelijke planning en wordt dan ook niet meer beïnvloed door de specifieke eisen die vanuit de ruimtelijke planning gesteld worden aan een stedebouwkundig ontwerp (zie 3.2). Deze loskoppeling van het stedebouwkundig ontwerp van de ruimtelijke planning maakt het mogelijk om het ontwerp naast een communicatieve functie ook een onderzoeksfunctie te geven[6]. Dit onderzoek richt zich op de consequenties van de genomen ontwerpbeslissingen, die de inhoud van een stedebouwkundig ontwerp bepalen. Dit zijn in ieder geval de eerder genoemde ontwepmiddelen die ingezet zijn, zoals de structuurbepalende elementen, verkavelingen en het stelsel van openbare ruimten, maar ook ontwerponderzoek gericht op de consistentie van het ontwerp, het gehanteerde (vorm)concept en de kenmerken van de situatie zelf, als ook de ligging van de situatie in het omliggende stedelijk gebied, Dit ontwerponderzoek is een heel ander type onderzoek dan het onderzoek dat wordt verricht bij de ‘plan’-functie van een ontwerp, daar is meer sprake  van onderzoek naar programmatische en technische mogelijkheden en de financiële en bestuurlijke haalbaarheid van de ruimtelijke voorstellen. Daarnaast kan dit ontwerponderzoek zich richten op het ontwerpproces en de daarbij eventueel gehanteerde ontwerpmethoden. In 4.4 wordt hierop teruggekomen.

 

1.3        Waarom stedebouwkundige ontwerpmethoden

De aanleiding om juist ontwepmethoden te bestuderen komt voort uit een poging het privé-denken of privé handelen van hen die direct bij het bouwkundig ontwerp betrokken zijn en me namen de stedebouwkundig ontwerpers, openbaar te maken. Het gebruik van ontwerpmethoden leidt er toe dat aldus ontwikkelde stedebouwkundige ontwerpen makkelijk onderzocht en bediscussieerd kunnen worden. Ook is de overdraagbaarheid, inzichtelijkheid en controleerbaarheid van ontwerpen ontstaan met gebruik van ontwerpmethoden van belang. Bovendien vindt Jones[7] dat de nuttige effecten van het gebruik van ontwerpmethoden zijn, dat de ontwerpers verplicht worden buiten hun directe behoeften aan (ogenschijnlijke) relevante informatie te kijken en de neiging te onderdrukken meteen door de knieën te gaan bij het eerste idee dat opkomt. Naast deze argumenten die het gebruik van ontwerpmethoden bepleiten, kunnen nog de volgende argumenten genoemd worden:

 

·         Het gebruik van ontwerpmethoden draagt bij aan een systematisch ontwerp en proces,

·         Doordat vooraf bekend is welke stappen en welke ontwerpelementen gebuikt gaan worden.

·         Het toepassen van ontwerpmethoden maakt het mogelijk om de samenwerking tussen

·         Diegenen die gezamenlijk voor de opgave van het vinden van ruimtelijke oplossingen staan te bevorderen.

·         Het toepassen van ontwerpmethoden maakt het noodzakelijk om ontwerponderzoek te verrichten. Dit ontwerponderzoek te verrichten. Dit ontwerponderzoek kan zowel betrekking hebben op het ontwerp zelf als op de verdere ontwikkeling van de ontwerpmethode.

·         Het toepassen van ontwerpmethoden leidt tot een consistent (evenwichtig)

·         Stedebouwkundig ontwerp.

·         Het gebruik van ontwerpmethoden maakt het mogelijk een ontwerp te ontwikkelen,

·         Waarbij het verband tussengoed geformuleerde uitgangspunten en de ruimtelijke oplossingen ze helder mogelijk wordt aangegeven.

Ontwerpmethoden

 

1.4        Wat is een (ontwerp)methode?

Een methode is een vaste, weldoordachte manier van handelen om een zeker doel te bereiken[8].

 

Methoden zijn systematische procedures om gestelde doeleinde te bereiken, middelen om een bepaald type probleem aan te pakken met een zekere graad van succes. Methoden reflecteren aan ervaringen opgedaan in het verleden. Een methode is geen specifieke kennis van een individu, maar kan door anderen toegepast worden[9].

 

Stedebouwkundige ontwerpmethoden zijn methoden die ingaan op de inhoud van een stedebouwkundig ontwerp, dat wil zeggen op de in 1 genoemde ontwerpelementen en de wijze waarop met deze elementen een stedebouwkundig ontwerp wordt ontwikkeld. Naast deze groep van ontwerpmethoden worden nog andere groepen methoden gebruikt bij het ontwikkelen van stedebouwkundige plannen. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van deze groepen van methoden ie indirect invloed kunnen hebben op een stedebouwkundig ontwerp maar niet specifiek zijn ontwikkeld om de inhoud te bepalen.

 

Ontwerpmethoden kunnen niet alleen reflecteren aan ervaringen opgedaan in het verleden, maar kunnen ook gebaseerd zijn op de resultaten van onderzoek. Dit soort onderzoek richt zich met name op ontwerponderzoek, waarbij het stedebouwkundig ontwerp en ontwerpmethode in hun onderlinge samenhang onderwerp van studie zijn (zoals b.v. typologische/-morfologische studies; onderzoek naar (vorm)concepten; ruimtelijke structuren en stadsbeelden en het proces dat ten grondslag ligt aan een ontwerp).

 

1.5        Het toepassen van ontwerpmethoden

Het zonder meer toepassen van ontwerpmethoden is een hachelijke zaak. De Boer[10]  zegt over het gebruik van methoden: 'het is net zo gevaarlijk methoden te overschatten als ze te verwerpen. Een bevredigend stedebouwkundig of meer algemeen, een plan van ruimtelijke ordening, is nooit het gevolg van het toepassen van methoden alleen: creativiteit, verbeeldingskracht, inventiviteit zijn onmisbaar, evenals sociaal gevoel en inzicht. Er is geen reden om methoden alleen zaligmakend te maken en evenmin ze als hulpmiddel versmaden.'

Teneinde het zonder meer toepassen van (ontwerp)methoden te voorkomen worden een aantal punten genoemd waar op gelet dient te worden bij toepassing:

 

·         Ontwerpmethoden mogen nooit toegepast worden zonder dat kennis is genomen van de achterliggende gedachten.

·         Een ontwerpmethode kan veelal maar voor een deel van het ontwerpprobleem gebruikt worden.

·         Ontwerpmethoden hebben geen vastomlijnde vorm die in elke situatie toepasbaar is;      per ontwerpprobleem moet gestreefd worden naar een voor de situatie specifieke aanpak.

·         Gebruik van ontwerpmethoden moet niet dienen om uitsluitend de positie van de gebruiker van de ontwerpmethode te versterken.

·         De keuze voor het toepassen van een ontwerpmethode levert de grondvormen van de ontwerpoplossing aan. De ontwerpmethode zelf voorziet niet in de creatieve invulling van de grondvormen.

·         Het toepassen van ontwerpmethoden garandeert niet de 'kwaliteit' van het ontwerp.

·         De 'kwaliteit' van een stedebouwkundig ontwerp is afhankelijk van het inzicht, de kennis en de vaardigheden (de vakbekwaamheid) van de ontwerper die de ontwerpmethode toepast.

 

1.6        Ontwerpmethode - ontwerpopvatting

Iedere ontwerper heeft eigen ontwerpopvattingen c.q. ontwerptheoriën, die een grote invloed hebben op de ontwerpen. Door Brandes[11] worden in een studie naar de inrichting van nieuwbouwwijken de gesignaleerde ontwerpopvattingen ingedeeld in een viertal stromingen (functie, beleving, ecologie en besluitvorming). Het belangrijkste verschil tussen deze stromingen komt volgens haar voort uit datgene wat men in een ontwerp primair heeft gesteld, met welke ideeën de eerste lijnen of woorden op papier zijn gezet, zoals b.v. welk (vorm)concept wordt ontwikkeld, welke ontwerpelementen worden ingezet en de wijze waarop de bestaande situatie wordt geïnterpreteerd  (zie ook hoofdstuk 4, deel B). Zo'n eerste idee is dan bepalend voor de opzet van het ontwerp. Ook de werkwijze (het ontwerpproces) wordt sterk beïnvloed door deze eerste gedachten. Ook het wel of niet toepassen van een ontwerpmethode behoort tot de specifieke opvattingen van een ontwerper. Door te kiezen voor het toepassen van een ontwerpmethode wordt aansluiting gezocht bij de ontwerptheorie c.q. de ontwerpopvatting, die ten grondslag ligt aan de desbetreffende ontwerpmethode. In dit boek wordt volstaan om per beschreven methode de achterliggende gedachte aan te geven. Er wordt geen standpunt ingenomen t.a.v. de verschillende ontwerpopvattingen/theorieen die ten grondslag liggen aan de ontwerpmethoden.

 

Wel wordt in hoofdstuk 4 op grond van een aantal voor het stedebouwkundig ontwerp van belang zijnde begrippen een overzicht gegeven van hoe daar door de verschillende ontwerpmethoden op wordt gereageerd.

 

Tot slot een citaat van Foqué[12] over de relatie methode - theorie. 'Een methode is op zichzelf een beschrijving d.m.v. taal en aan elke beschrijving is de reductie van de ervaring inherent: een reductie tot vormen die überhaupt in die taal kunnen worden beschreven. Een methode is niet waardevrij, maar produceert zijn eigen beperkingen, die mede het resultaat beïnvloeden. Het onderliggende waardepatroon van de methode, de z.g. theorie wordt gereproduceerd. Ontwerpen is in feite een proces van transformatie van het levensfeitelijke naar het ontwerpmatige. De ontwerper ordent steeds de feiten op een specifieke wijze, namelijk naar de mogelijkheden om binnen die ordening zijn ontwerpactiviteit te kunnen uitvoeren: vanuit en naar zijn eigen ontwerptaal toe. Orde wordt in de praktijk zelf geconstrueerd en niet in en door de theorie! De ontwerper zal zelf steeds moeten vaststellen wat de operationele begrenzing is van de gehanteerde ontwerpmethode, omdat elke methode een bepaalde maar ook een bepaalde wijze is van zich meten met een ontwerpprobleem.'



 



[1] De Boer, N.A., Architectuur-Stedebouw, over tweespalt in een vakgebied. In Wonen TABK nr. 8 1984.

[2] Vink, H., Geen stedebouw zonder architectuur. Intermediar nr. 10, 1980.

[3] Van der Voort, R. Th., Stedebouw in de jaren '80, ruimtelijke kwaliteit onderzocht. In De Architect, maart 1988.

[4] Meijer, H. en A. Reyndorp, Stedebouwkunde een nieuwe stedelijkheid in Oase nr. 19, 1988.

[5] Heeling, J., meervoudige stedebouwkundige opdrachten kritische beschouwd. In De Architect, juli 1988.

[6] Pasveel, E., afstudeerscriptie, planvorming Kop van Zuid te Rotterdam, TU-Delft, 1988.

[7] Jones, J. C., Design Methods, seeds of human future; Londen, 1970.

[8] Geerts, G.; Heestermans, H.; Kruyskamp, C (1989) van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal (Utrecht, Antwerpen) Van Dale Lexicografie.

[9]  Bergman,H., e.a., Ontwermethoden op bestemmingsplanniveau, TH-Delft, 78.

[10] De Boer, N. A., Planvorming in de ruimtelijke ordening, TH-Delft, 1982.

[11] Brandes, E., De stedebouwkundige inrichting van nieuwbouwijken, studierapport nr. 17, Rijksplanologische Dienst, Den Haag, 1980.

[12] Foqué, R., Ontwerpen: zin en onzin. In verslag van 9 gastlezingen aan de afdeling Bouwkunde, TH-Delft, 1976.