1        Rijnland

In opdracht van de Vereniging Deltametropool werd een snelle ecologische verkenning van Leiden en omgeving (Rijnland) gemaakt als basis voor een parklandschap in de Deltametropool.

1.a                      De topografische geschiednis van Nederland

Vanaf het jaar 1000 verandert de legenda van de kaart van Nederland.

 

-200000

-150000

-75000

-40000

-10000

-5500

-4100

-3000

-2100

-1000

-200

600

1000 vloed

1000 eb

1100

1300

1550

1675

1800

1850

1930

1960

1989

?

 

Figuur 327 De topografische geschiedenis van NederlandUniversiteit van Utrecht

 

Bodemkenmerken als zand (geel), klei (lichtgroen) en veen (donkergroen) alsmede jaarlijks anders vlechtende rivieren (bruin) in de reconstructie van de Universiteit van Utrecht voor NNAO maken plaats voor gebruiks­kenmerken: bewoond (geel), verspreide bewoning (lichtgroen) en natuur (donker­groen).

 

Sinds 1000 is de invloed van de menselijke soort, te beginnen met zijn waterbeheer in het Nederlandse landschap overheersend. Dit leidde eeuwenlang tot vermeerdering van het aantal plantensoorten. Waar men mineralen verzamelde ten behoeve van de landbouw, groeiden slechts enkele snelle productieve soorten. Waar men ze echter weghaalde groeide in schaarste en ongestoord, een toenemende verscheidenheid aan langzame maar bijzondere, noodgedwongen in ecosystemen samenwerkende specialisten. De ecologische geschiedenis van het lage land is nauw verbonden met de voortplanting, de familiebanden, de ziekten en het bedrijf, kortom de ecologie van de menselijke soort.

 

Graaf Dirk II trouwde een nazaat van Karel de Grote en kreeg in 987 zijn leengoederen in Noord-Holland van keizer Otto III in volle eigendom, Dirk III breidde dat eigendom naar het natte zuiden uit. Daar woonden alleen mensen aan de Oude Rijn en zijn monding Leiden (Lede, waterloop[1]). Dirk V noemde zich in 1063 voor het eerst graaf van Holland en pas vanaf ca. 1100 kwam de naam Holland voor als benaming van het hele graafschap. Wat is er in die eeuw gebeurd? De reconstructie van de Universiteit van Utrecht voor NNAO laat een ongeëvenaarde kolonisatie van het lage land zien. In 1113 verscheen de eerste dateerbare mededeling over deelneming van boeren uit de Nederlanden aan de Oostduitse kolonisatie van veengebieden (Hollerbroek). Deze boeren waren bijzonder welkom wegens hun vaardigheid in het ontwateren van laaggelegen gebieden.

 

De broer van Dirk VII, graaf Willem I had een kleinzoon Floris V, ‘Der keerlen God’, getrouwd met Beatrix. Zijn prioriteit voor agrarische ontwikkeling door het instellen van democratische waterschappen dreef op de bevolkingsgroei door drooglegging. Hij kreeg verarmende feodale edelen als Gijsbrecht van Amstel tegen zich, hetgeen hem in 1296 het leven kostte. Steden, met name Dordrecht, waren centra van het Hollandse tolsysteem en hadden een verbreding van deze bestaansbasis uit handel nodig. De meeste kregen in de 13de eeuw stadsrecht. In deze eeuw was Hollands invloed zo gegroeid, dat graaf Willem II met zijn poldermodel roomskoning van Duitsland werd. De Paus trof voorbereidingen hem tot keizer te kronen toen hij op het gladde Friese ijs werd doodgeslagen. Zijn achterneef Willem III kon echter de dochter van de Franse koning huwen en zijn dochters uithuwelijken aan de Engelse koning Edward III en de Beierse keizer Lodewijk.

Dat laatste gaf echter hernieuwde feodale bemoeienis. De keizer viste naar de vetgeworden Kabeljauw die Otto III van zijn haak (Hoek) had laten glijden. Aan de adellijk-feodale Hoeken ontworstelden zich Kabeljauwse boeren en burgers zoals Delft.

 

Holland bleef relatief vrij van pestepidemieën die in Vlaanderen en bij de Hanzesteden een demografische teruggang teweeg brachten. Brugge verloor zijn lakenhandel deels aan Holland (Leiden). Daar werden vissers ecologisch bevoorrecht door verplaatsing van haringscholen uit de Oostzee naar de Noordzee en het inmiddels uitgevonden haringkaken. Zij voeren op het wolrijke Engeland en namen gaandeweg vrachtvaart op zich. Dordrecht moest mede onder de invloed van de St. Elisabethsvloed in 1421 na 1500 zijn eerste plaats afstaan aan Delft, Rotterdam en Amsterdam. De Hollandse steden namen na het verdrag van Utrecht in 1475 de Oostzeehandel over van de Hanze (Jansen[2]). Graven werden stadhouders. Nog één eeuw accepteerde Holland een buitenlandse vorst om zich vervolgens definitief vrij te vechten.

 

In 1585 capituleerde echter Antwerpen voor de hertog van Parma. Antwerpen was het handelscentrum van de 16de eeuwse wereld geworden als noordelijke stapelplaats voor Indische produkten, zijn multiculturele samenstelling en zijn stedelijke achterland (Bouman[3]). Hier ontstond het moderne geldverkeer en economisch individualisme gebundeld in compagnieën. Bijna de helft (ca. 38 000) van zijn grotendeels protestantse bewoners trok de volgende 4 jaar naar het noorden (Israel, p. 243[4]). Daarmee werd de vrijgevochten grondslag voor de deels allochtone Hollandse metropool en zijn handelsimperium vruchtbaar. De Fransen kwamen de jonge Republiek niet met acceptatie van souvereiniteit te hulp, zoals Oranje bleef hopen, maar door Philips II en dus Parma naar het zuiden af te leiden. Dat gaf Maurits vleugels en Van Oldenbarneveld bundelde de onderlinge concurrentie in de VOC. Dat Maurits in voorbeschikking en dus adel bleef geloven, bracht Oldenbarneveld ter dood.

 

De bedijking, opstrekkende verkaveling en ontwatering van Holland deed de bevolking groeien, het veengebied klinken en bleek weinig anders dan veeteelt, visserij en scheepvaart mogelijk te maken. Daardoor was men in Holland op graan uit het Oostzeegebied aangewezen. Gelukkig voerde de Hanze haar Oostzeegoederen liever via de inmiddels verdiepte Hollandse wateren naar de stapelplaats Brugge dan over de gevaarlijke Noordzee. Voor zoveel minder schipbreuk betaalde men de graven van Holland tol. Deze grafelijke inkomsten verlichtten de belasting voor de boeren die hun land zelf gemaakt hadden en het leenstelsel niet meer begrepen[5].

Een ongeëvenaarde economische vlucht reduceerde de nog aanwezige natuur in dit land tot enkele hoogveengebieden. Het laagveen werd opgestookt en windenergie legde de onderliggende zeeklei bloot. Het Mastbos in Breda werd aangelegd om de scheepsbouw van masten te voorzien. De gouden eeuw verwaterde echter in rentenierschap dat het natte land van van der Woud[6] achterliet en de Fransen in 1798 tot de oprichting van Rijkswaterstaat brachten.

1.b                     De ecologie van Holland

Zo is de relatief recente natuur ontstaan die een afzonderlijke legenda-eenheid op de Europese natuurkaart[7] nodig maakt. De stoommachine voltooide de laatste droog­leggingen. De ‘woeste gronden’ waren aan het einde van de 19de eeuw aanleiding tot oprichting van de Heide- en Grontmij en de werkeloosheid van de 30er jaren reduceerde dit recente natuurgebied opnieuw.

Omstreeks 1900 werd de kunstmest uitgevonden. De mineraal-arme gebieden vermestten sindsdien ten gunste van de snelle productieve soorten en ten koste van de langzame specialisten. De veeteelt, verdroging en atmosferische depositie deed daar een schep bovenop. Zoals men gemakkelijker suiker in de koffie oplost dan er weer uithaalt, zal men ook weer veel tijd nodig hebben voor verschraling. Daarom telt niet alleen zeldzaamheid uitgedrukt in kilometers, maar ook (on)vervangbaarheid in jaren. Met hun produkt kan men natuurgebieden afwegen tegen de zeldzaamheid en vervangbaarheid van menselijke artefacten.

 

Aan het einde van de 20ste eeuw heeft de landbouw door vermindering van haar afzet en verhoging van produktiviteit het primaat van nationale zelfvoorziening verloren. Globalisering leidt tot internationale taakverdeling[8]. De taak van Holland is handel en zeldzame natuur.

 

 

 

Figuur 328 Potentiële natuurlijke vegetatie RIVM (2001)

 

Het Zeeuws-Hollands-Friese laagland als geheel met jongere en tot 5000 jaar oude duinen en hun potentiële vegetaties als begrenzing is Europees gezien, in een straal van tenminste 1000km zeldzaam. De bedijking ervan heeft de omvang en verscheidenheid in 1000 jaar vergroot met oude zeekleipolders en droogmakerijen, zij het ten koste van zeldzame zoutvegetaties. Daarmee is echter het grootste gebied met een potentiële riviermondvegetatie in Noordwest-Europa ontstaan. Landinwaards ligt een al even zeldzame en onvervangbare zone van potentieel rietmoeras/moerasbos. ‘Van Amersfoort tot de Oeral komt men landschappelijk niet meer voor zulke grote verrassingen te staan’ Constandse, A.K. (1967). Verder stroomopwaarts ligt het in deze straal grootste, maar minder zeldzame gebied van rivierbegeleidende vegetatie. De hogergelegen zandgronden vormen het begin van een Europees weinig zeldzaam potentieel eiken-beukenbos. Dat neemt niet weg dat deze gebieden nationaal hoog gewaardeerd worden als recreatiegebied. Naaldbossen vormen daarin in ons land ecologisch gezien recente, kunstmatige anomalieën.

 

 

 

Figuur 329 Negen landschapstypen LNV (2002)

 

Bekijkt men deze internationaal belangrijke potenties meer in detail (uitsnede 60x60km), dan herkent men als landschappen met zeer grote betekenis de oude zeekleipolders, de droogmakerijen en veen­ont­gin­ningen van ons land in de omgeving van Leiden. Daarna zijn de wadden, duinen, jonge zeekleipolders, kommen en stroomruggen van grote internationale betekenis. De landschapstypen die LNV onderscheidt tonen de Oude Rijn als uitloper van het rivierengebied met omringend laagveengebied, grenzend aan zeekleigebied[9]. Aan weerszijden van de Oude Rijn bestaat dus een interessante reeks van potentiële overgangen

 

 

Figuur 330 Internationaal belangrijke landschappen RIVM (2001)

 

1.c                      De ecologie van Rijnand

-200000

-150000

-75000

-40000

-10000

 

-5500

-4100

3000

-2100

-1000

 

-200

600

1000 vloed

1000 eb

1100

1300

1550

1675

1800

1850

 

1930

1960

1989

?

 

 

 

Figuur 331 De geschiedenis van Rijnand

 

 

 

 

De ecologische hoofdstructuur (EHS) beschermt kerngebieden van natuur en breidt deze waar mogelijk uit, verbindt ze om vooral dierlijke populaties een groter areaal te geven. De nationale en provinciale kaarten van de EHS hebben echter nog opvallend weinig relatie met de geschiedenis van Nederland. De land­schappen die LNV op de vorige bladzijde onderscheidt, tonen wel die aaneenschakeling van oude zeekleipolders en veenontginningen met zeer grote internationale betekenis. De reeks van potentiële overgangen tussen beide aan weerszijden van de Oude Rijn bieden de mogelijkheid zowel voor planten als voor dieren interessante natuurgebieden te creëren.

 

 

 

 

 

Figuur 332 PKB-kaart 4 – Netto-EHS, natuurkernen en robuuste verbindingen LNV (2002)

Figuur 333 Provinciale uitwerking EHS Zuid-Holland, Provincie (2000)

 

 

 

Een Deltagebied is van nature voedselrijk en heeft daardoor grote waarde voor vogels. Nederland heeft voor vogels een grote Europese verantwoordelijkheid. Vogels en recreanten hebben baat bij grazige overgangsgebieden van bos naar water. Men moet voor vogels opgaande begroeiing langs het water voorkómen om binnen verschillende vluchtafstanden in de gewenste verscheidenheid van broed- en fourageergebieden te kunnen voorzien. Een logische verdeling is het reserveren van bezonde noordoevers voor recreanten en voedselrijke zuidoevers voor vogels. Oevers moeten niet worden volgebouwd met linten van bebouwing, hier past meer groepsgewijze bebouwing die natuurlijke corridors openlaten via waardevolle overgangen. Iets dergelijks geldt voor de duinen. Zoals de Oostvaardersplassen in de Flevopolders een successtory zijn voor snelle natuurontwikkeling, zo zijn dat de Vlietlanden en Starrevaartse plassen voor de Leidse regio.

 

Veengebieden zijn door de geringe bewortelingsdiepte van nature meer geschikt voor de benodigde openheid dan voor bos. Kleigebieden zijn beter geschikt voor bebouwing, bos en op den duur botanische rijkdom. Aan de rand van polders met kleibodems kan klei- en later veenmoeras ontstaan met de gewenste zonering naar het omringende water als resultaat.

Ten aanzien van de natuurontwikkeling van duin-, klei- en veenmoerassen komt aanleg met historisch correct reliëf de natuurontwikkeling ten goede Londo, G. (1997). Waarschijnlijk zal daarmee door afstroming plaatselijke humusvorming in de laagten ontstaan zodat men niet enkele generaties hoeft te wachten op de overgang van het relatief soortenarme kleimoeras in de rijkere vorm van veenmoeras.

De claims uit de 5de Nota RO[10] zijn groter dan het beschikbare grondgebied in de Deltametropool. De landbouwoppervlakte zou vrijwel verdwijnen onder de natuurclaims, maar melkveehouderij helpt de zo gewenste openheid voor vogels behouden. De noodzaak om ons land boven water te houden vergt een enorme oppervlakte water. Dit biedt een tegenwicht tegen ongewenste zoute kwel. Een zoutvegetatie is weliswaar internationaal zeldzaam, maar vormt in het Hollandse landschap een dominante, groeiremmende anomalie als de afsluitende kleilaag plaatselijk wordt weggegraven. Zeeland biedt daartoe meer natuurlijke locaties dan Holland.

 

Een rijke vogelstand vergt voedselrijke wateren en weiden, afgewisseld met eventueel meer voedselarme gebieden. Een bijzondere vegetatie vergt echter daarentegen een voedselarme bodem met verschillende tekorten waarin alleen specialisten overleven. Planten zijn dan de basis van een onvoorspelbare voedselpyramide met andere diersoorten dan alleen vogels. Het bestaande nationale beleid is gebaseerd op voor-onderstelde doelsoorten en natuurdoeltypen. ‘Bedoelde’ natuur is geen autonome natuur die een wezenlijk alternatief biedt voor de overal voelbare planning. Men kan ook voorwaarden scheppen voor minder voorspelbare ontwikkelingen door variatie op verschillende schaal.

 

 

 

Figuur 334 Aantal wilde-plantensoorten  per kilometerhok.

Figuur 335 Claims volgens de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening op schaal van het Nederlands gemiddelde voor 10 000, 100 000 en 1mln inwoners in stedelijk gebied

 

 

 

In tal van steden zoals Zoetermeer (zie inzet in de figuur met het aantal soorten per kilometerhok) is aangetoond, dat een km2 stedelijk gebied door zijn variatie in zon, vocht, mineralen en betreding meer plantensoorten kan huisvesten dan tal van natuurgebieden. Het betreft echter vooral algemene soorten. De volgende stap is, dezelfde zeldzaamheid na te streven en wellicht voor elke stedelijke omgeving een andere. Daartoe moet niet in te hoge dichtheid gebouwd worden.

 

 



[1] Vries, J.d. (1962) Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen. (Utrecht/Antwerpen) Aula-boeken.

[2] Jansen, H.P.H. (1965) Middeleeuwse geschiedenis der Nederlanden. (Utrecht) Het Spectrum.

[3] Bouman, P.J. (1979) Hollands welvaren.in: Delage landen bij de zee. J. Romein and A. Romein. (Amsterdam) Quirido's Uitgeverijen b.v.

[4] Israel, J.I. (1995,) The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806. (Oxford) Oxford University Press.

[5] Jansen, H.P.H. (1965) Middeleeuwse geschiedenis der Nederlanden. (Utrecht) Het Spectrum.

[6] Woud, A.v.d. (1987) Het lege land. (Amsterdam) Meulenhoff.

[7] [Bundesambt fur Naturschutz, 2001 #56]

[8] Steekelenburg, M.v. (2001) Self sufficient world. (Den Haag) VROM, RPD.

[9] LNV (2002) Structuurschema Groene Ruimte 2. Samenwerken aan groen Nederland. (Den Haag) Ministerie van Landbouw en Visserij.

[10] VROM (2 001b) Ruimte maken, ruimte delen. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 2 000/2 020. (Den Haag) Ministerie van VROM.

VROM (2 001c) Samenvatting Ruimte maken, ruimte delen. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 2 000/2 020. (Den Haag) Ministerie van VROM.

VROM (2 002) Ruimte maken, ruimte delen. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 2 000/2 020 PKB deel 3 Kabinetsstandpunt PKB deel 2 Resultaten van inspraak, bestuurlijk overleg en advies. (Den Haag) Ministerie van VROM.