1        Natuur

‘Natuur’ is in dit hoofdstuk een concept en daarmee onderdeel van een cutuur die natuur waardeert (zie Figuur 537). Dit hoofdstuk geeft enig inzicht in de soorten natuurgebieden die men onderscheidt. Het is de taak van de (regionaal, stedebouwkundig of architektonisch) ontwerper op het geëigende schaalniveau uit deze vormen die combinaties als legenda-aanheid te kiezen die een uitgesproken, een begrijpelijk, veelzeggend en uitvoerbaar plan mogelijk maken.

1.a                      De afweging van biotische waarden

Biodiversiteit is "risicodekking van het leven". Het verlies aan biotopen voor mens, dier en plant is afwegingskader voor de ernst van milieuproblemen. Wij stellen dat hier niet ter discussie, maar behandelen een methode waarmee deze waarde kan worden gemeten. De waardering is met deze uitgangspunten eenvoudig hoe bijzonder of uniek is het natuur-element op verschillende schaal- en tijdniveaus.

 

Wanneer wij de Nederlandse flora en fauna op Europees niveau waarderen zouden we ervoor moeten pleiten heel Nederland tot Waddengebied te verklaren, omdat dat op Europees niveau het unieke is van onze regio. Dat zou voor Nederland echter een weinig gevarieerd beeld opleveren. Vanuit het Nederlandse niveau gerekend zouden wij misschien alle ecotopen van onze breedte op ons grondgebied willen verzamelen, maar als elk land dat zou doen, zou er op Europees niveau homogeniteit ontstaan. Met andere woorden, de vraag is: op welk niveau willen wij welke variatie?

Aangezien het uiteindelijk gaat om de biodiversiteit van de aarde als geheel, moeten wij de uniekheid van onze natuur allereerst afwegen in een straal van 10 000 km (de straal van de aarde is ca. 6 000 km). De continentale bijzonderheid kan als het voorkomen van gelijksoortige gebieden in een straal van 1000 km worden afgelezen, de nationale bijzonderheid in een straal van 100 km, de locale bijzonderheid in een straal van 10 km.

 

Een tweede afweging zou kunnen zijn in hoeverre vernietiging van het natuurgebied onherstelbaar geacht kan worden, met andere woorden: "hoeveel tijd neemt het opnieuw laten ontstaan van een gelijkwaardig gebied in beslag: 1 000 000, 10 000, 100, 10 jaar?"

 

Als een bepaalde soort natuurgebied binnen een gegeven straal vaak voorkomt en bovendien bij herstel snel tot het climax-stadium kan worden gebracht, zal men het minder waarderen dan wanneer het weinig voorkomt en lange tijd nodig heeft om tot de huidige kwaliteit te geraken. Men zou dus als waardering de reciproke waarde van het produkt kunnen nemen en deze per schaalniveau gewogen kunnen optellen. Er zijn echter tal van varianten en preciseringen mogelijk. Een dergelijke waardering is door Joosten c.s. voor de Peel voorgesteld en verdient nadere uitwerking.

Merkwaardig genoeg is deze benadering ook zinvol gebleken bij de vastlegging van de stedebouwkundige en architektonische beeldkwaliteit van een stadsvernieuwingsplan (De Jong en Ravesloot).

1.b                     Zeldzaamheid

De plaatselijke zeldzaamheid van een groep, associatie, ecologische groep, populatie, gemeenschap, formatie, ecosysteem of artefact kan worden uitgedrukt in de afstand tot de laatstvolgende x voorbeelden in de omgeving. Als het criterium voor zeldzaamheid x gelijk is aan één, dan is dit de afstand tot het eerstvolgende voorbeeld in de omgeving (er is dan sprake van een uniek voorbeeld binnen deze straal). Uit een gegeven x volgt dus een straal (als kader) waarbinnen het object niet meer uniek of zeldzaam is. Als dit in een wijdere omgeving (een breder kader) de enige x voorbeelden blijken te zijn, dan is het object met x voorbeelden met die straal als korrel in dat bredere kader weer zeldzaam.

Gesteld, dat er binnen een straal van 30km nog 10 voorbeelden van dezelfde formatie3km gevonden kunnen worden, maar daarbuiten in een straal van 100km geen enkele, dan is de regionale zeldzaamheid30km van deze formaties3km laag, maar de subcontinentale zeldzaamheid300km van dit district30km hoog. Omgekeerd kan een formatie regionaal in een straal van 30km zeldzaam zijn, maar nationaal in een straal van 100km niet. Dit laat onverlet dat de natie in dit opzicht weer wel een continentale verantwoordelijkheid voor zulke formaties kan hebben.

 

Dit geldt ook voor artefacten. In Delft staat één van de voor Nederland zeldzame exemplaren van profaan-gotische bouwkunst[1]. In België zijn veel meer voorbeelden, maar in de wereld zijn zij weer tot Europa beperkt. De profane gotiek in Delft is dus plaatselijk zeldzaam in een straal van 100km, subcontinentaal niet en mondiaal weer wel. Het is vervolgens de vraag of men dit profaan-gotische gebouw als zodanig waardeert, of het hele stedebouwkundige ensemble van profane-gotiek-aan-middeleeuwse-gracht. Men hanteert dan ter bepaling van de zeldzaamheid voor de vergelijking met andere voorbeelden een grotere korrel. De afstand tussen kader en korrel (resolutie) speelt dus een rol in de bepaling van zeldzaamheid. Als België geen voorbeelden heeft van zulke stedebouwkundige ensembles, is er ook sprake van subcontinentale zeldzaamheid. De zeldzaamheid van ensembles30m in subcontinentaal300km kader hanteert nog een erg hoge ‘zeldzaamheidsresolutie’ van lineair 30/300000 = 0,01%. Voor ontwerpers gaat dat verder dan de precisie van een bestektekening, terwijl voor de besluitvorming een schetsontwerp (10%) voldoende is. Een stedebouwkundig ontwerp wordt niet afgekeurd omdat de verkeerde bakstenen zijn voorgesteld. Voor biotische componenten zou men ook een korrel moeten hanteren die in enige verhouding staat tot het kader om een voor besluitvorming aanvaardbare zeldzaamheidsresolutie te krijgen.

 

Als het aantal vindplaatsen van een soort op aarde of binnen Nederland bekend is, is daarbij impliciet een kader, een korrel en dus een resolutie (de verhouding tussen beide) bepaald. In Nederland is de korrel, de sampling-eenheid meestal een ‘uurhok’ van 5x5km (straal 3km). Van tal van soorten is bekend in welk uurhok en soms zelfs in welke topografische km2 zij voorkomen[2] en gedeeltelijk ook in welke mate. De nationale zeldzaamheid van een soort is dan bekend als ‘uurhokfrekwentie’, het aantal uurhokken waarin de soort in Nederland voorkomt. Het betreft dus de kwaliteit van een formatie. Deze is bijvoorbeeld voor iedere plantensoort uit verschillende perioden redelijk bekend, zodat men uit de ontwikkeling van de uurhokfrekwentie over een aantal jaren kan afleiden of deze soort binnen Nederland bedreigd is. De begrenzing van de Nederlandse staat is arbitrair, omdat wat op deze wijze gemeten nationaal zeldzaam is, regionaal of internationaal niet zeldzaam hoeft te zijn. De zeldzaamheidsresolutie van uurhokfrekwenties in Nederland is 3% lineair (3km straal/100km straal, naar oppervlak minder dan 0,1%, 25km2 op de 40000km2). In dit boek willen wij ons beperken tot een schetsmatige resolutie (zie blz. 9). Dit kan voor natuurwaardering door sampling van uurhokken tot gebieden met een straal van 10km (ruim 10 uurhokken) in een kader met een straal van 100km (ruim 1000 uurhokken) 10% lineair (1% naar oppervlakte).

 

Een gemeente zou bijvoorbeeld, zoals in Zoetermeer is overwogen, voor zijn natuurbeleid kunnen vaststellen dat men zich vooral op regionale en mondiale zeldzaamheid toelegt. Als er in de gemeente mondiaal zeldzame soorten of ecosystemen gevonden worden, verdienen deze uiteraard de hoogste urgentie. Vervolgens geeft men de voorkeur aan regionaal zeldzame objecten boven nationale zeldzaamheden als die elders in de wereld in overvloed te vinden zijn, ookal zijn ze in Nederland zeldzaam of algemeen. Men streeft naar een bijzondere identiteit in de regio en tracht niet zich te onderscheiden van steden buiten de regio. Hiermee is in eenvoudige termen richting gegeven aan een beleid dat niet alleen ecologisch, maar ook economisch betekenis kan hebben.

1.b.1                   Mondiaal

Van sommige (onder)soorten, zoals de zuiderzeeharing en het brakwaterkwalletje Eucheilota Flevensis weten we dat ze zijn uitgestorven na de afsluiting van het IJsselmeer Noordhuis, R. (2000). Van de moerasandijvie Weeda, E.J., R. Westra et al. (1991) en de grutto, een weidevogel Beintema, Albert, Oene Moedt et al. (1995), is bekend dat zij hun kerngebied in Nederland hebben en elders een onzekere toekomst. Het centrum van de Moerasandijvie is zelfs Flevoland, waar het na drooglegging massaal optrad, zich over het land en daarbuiten snel verspreidde, maar ook weer snel verdween. Voor zulke soorten dragen wij dus een grote verantwoordelijkheid.

 

 

Hagemeijer, W. and M.J. Blair )

29AA02 associatie van Goudzuring en Moerasandijvie Oostvaardersplassen

Marijnissen, J.W.M. and I. Mol (1998)

Foto Alterra, IBN-DLO

Beintema, Albert, Oene Moedt et al. (1995)

Spreiding moerasandijvie

29 Tandzaad-klasse

Spreiding grutto

Europese spreiding

 

Figuur 415 Spreidingstoestanden van mondiaal zeldzame soorten

 

 

Het zijn echter slechts twee soorten van de ruim 35000 Duuren, L. van (1997) die wij binnen onze landsgrenzen huisvesten en waarvoor wij als een Noach verantwoordelijkheid dragen. Van de 1732000 bekende soorten op aarde (een klein deel van wat er schijnt te zijn) kent Nederland ongeveer 35000 soorten, dat is ongeveer 2%, terwijl zijn oppervlakte nog geen 0,008% meet. Dat wil zeggen dat Nederland medeverantwoor­delijk is voor een veel groter aantal soorten dan zijn oppervlakte doet vermoeden. Het grootste aantal soorten wordt gevormd door de insecten. Nederland telt ca. 17000 insecten, waarvan ca. 2200 vlindersoorten, 4000 vliesvleugeligen, 4500 tweevleugeligen en 30 andere ordes waarvan de meesten van ons nog nooit gehoord hebben. Zij behoren tot de belangrijkste voedselbron van de 366 vogels die in ons land verblijven. De vlinders kunnen zich in een grote landelijke belangstelling verheugen, maar de meeste zijn gebonden aan zeldzame planten die een een soortenrijke vegetatie vergen en deze is in Flevoland nog niet tot ontwikkeling gekomen. Hun spreiding is af te lezen in verscheidene vlinderatlassen Tax, M.H. (1989; Bink, F.A. (1992; Halder, Inge van, Irma Wynhoff et al. (2000). Naast de 111 veelal bedreigde dagvlinders van ons land, zijn er nog 1400 nachtvlinders en kleine vlinders met name genoemd in de BIOBASE van het CBS Duuren, L. van (1997).

 

De insecten behoren tot de stam der geleedpotigen. Daartoe behoren ook de talrijke krabben, kreeften, garnalen en waterinsecten die het IJsselmeergebied zijn waarde voor vogels geeft. In onderstaande tabel zijn de meest soortenrijke stammen van de ca. 50 die de bioloog onderscheidt weergegeven op volgorde van Nederlandse soortenrijkdom.

 

BIOBASE CBS

Duuren, L. van (1997)



 

 

Naam

Soorten wereld

Soorten Nederland

% Nederland

planten of dieren

ruwe 10% schatting

geleedpotigen

1130000

21000

2

d

 

schimmels

100000

3500

4

p

 

'geelalgen'

9200

2200

24

p

 

draadwormen of aaltjes

12500

1700

14

d

 

groenwieren

7000

1600

23

p

 

bedektzadigen

250000

1400

1

p

 

korstmossen

20000

633

3

p

 

mossen

23000

533

2

p

 

chordadieren

52000

470

1

d

 

ringwormen

8000

350

4

d

 

platwormen

14000

330

2

d

 

raderdiertjes

1800

300

17

d

 

weekdieren

53000

300

1

d

 

oogwieren

500

250

50

p

 

bacterieën

1500

150

10

p

*

blauwalgen

1500

150

10

p

*

neteldieren

8000

140

2

d

 

virus

1200

120

10

p

*

roodwieren

3500

78

2

p

 

 

Figuur 416 Biodiversiteit volgens Biobase (CBS)

 

Al deze planten- en dieren-stammen spelen zowel kwalitatief als kwantitatief een belangrijke ecologische rol in het IJsselmeergebied. Zij krijgen niet altijd de aandacht die zij verdienen. Een uitzondering daarop is bijvoorbeeld het onderzoek naar de ca. 1600 soorten schimmels (paddestoelen) die in Flevoland voorkomen door de Werkgroep Mycologisch Onderzoek IJsselmeerpolders Zanen, Ger van, Piet Bremer et al. (2000). Van belang zijn verder de ‘geelalgen’ waartoe de prachtige kiezelwieren (diatomeeën) behoren die mondiaal onze olievoorraad hebben aangelegd. In het IJsselmeergebied zijn zij een belangrijke voedselbron in het voor- en najaar als er voldoende silicaten in het water zijn opgelost om deze organismen aan hun kiezelskelet te helpen. Aaltjes en wormen worden door vissen gegeten (bijvoorbeeld tubifex). De groenwieren vormen de voedselbron in de zomer, vooral in het Markermeer, waar enkele van de oudste organismen, Blauwalgen, het door troebeling minder goed doen dan in het IJsselmeer. Zulke processen hebben  grote invloed op het verschil in vis- en vogelstand tussen beide meren. Een belangrijk lid van de groenalgen is het kranswier, historisch voorloper van de hogere planten en groente voor knobbelzwanen en krakeenden.

 

De bedektzadigen vormen met de enkele naaktzadigen (vooral naaldbomen) die ons land telt, de vegetatie in het water en op het land. De waterplanten ontbreken in het grootste deel van het Markermeer en IJmeer door het geringe doorzicht en op grotere diepte. Aan de randen, op de vooroevers, in de beschutte Gouwzee en binnendijks zijn zij echter goed tot ontwikkeling gekomen, al worden zij buitendijks langzaam verdreven door eveneens waardevolle Kranswieren. Zij zijn van grote waarde voor het stabiliseren van de bodem, voor het waterleven en de vogels. De vegetatie op het nieuwe land is nog weinig gevarieerd omdat het grootste deel uit zware klei bestaat die met name in de nog niet voor landbouwgebieden benutte kwelgebieden niet snel rijpt. Waar zand en zavel aan de oppervlakte komt, zoals in Pampus-West, kan een interessante vegetatie ontstaan met een rijk insecten- (bijvoorbeeld vlinders) en vogelleven in haar kiezog. Daar is nader onderzoek gewenst, voordat men deze gronden voor stedelijke doeleinden uitgraaft of bedekt, zoals in alle visies aan de orde.

De vegetatie van Nederland is één van de best onderzochte ter wereld. Flevoland is binnen Nederland botanisch nog niet zo interessant, maar haar potenties, vooral aan de dijkbinnenrand, zijn groot. In Oostelijk Flevoland komen al 50 Rode Lijst soorten voor Bremer, P. and A. Smit (1995). Een gevarieerde vegetatie staat echter op gespannen voet met productiviteit die door de vogels in het gebied zo gewaardeerd wordt. Kleimoeras, dat als natuurdoeltype ter plaatse hoge ogen gooit Bal, D., H.M. Beije et al. (1995), is een soortenarme gemeenschap die pas na 20 tot 1000 jaar doorgroeit naar een rijker veenmoeras Londo, G. (1997).

 

Mossen en korstmossen worden vaak over het hoofd gezien. Zij zullen een belangrijke rol spelen als in het nieuwe land de veenvorming op gang komt. Temeer kunnen de chordadieren, de gewervelden waartoe wijzelf behoren, zich verheugen in een actieve belangstelling van natuurwerkgroepen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats de vogels. Daarop komen we terug in het kader van de Europese en Nederlandse zeldzaamheid. Er zijn echter nog tal van andere gewervelden die nu en in de toekomst een belangrijke rol kunnen spelen in de natuurwaarde van het gebied.

 

08 rietklasse

rietgans

ringslang

spiering

 

Figuur 417 Kaarten uit verschillende biologische atlassen

 

 

In de atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen Bohemen, H.D., D.A.G. Buizer et al. (1986) en in de atlas van de Nederlandse zoogdieren Broekhuizen, S., B. Hoekstra et al. (1992) kan men de spreiding in Nederland tot op 5 kilometer nauwkeurig aflezen. Daarin valt op, dat de kolonisatie van het Nieuwe land vanuit het omringende oude land, bijvoorbeeld van de ringslang nog in zijn beginstadium verkeert. Het aanleggen van vooroevers en eilanden kan dit proces bevorderen. Het is de vraag of men na aanleg van zulke habitats moet wachten tot twee van de betreffende dieren de overtocht naar hun nieuwe habitat ooit toevallig zullen overleven, zodat misschien over 30 jaar de kolonisatie kan beginnen, of dat men ze actief moet uitzetten. Binnen de categorie van de zoogdieren beschikken verder de vleermuizen over een prachtig geïllustreerde eigen atlas Limpens, Herman, Kees Mostert et al. (1997).

 

Van het grootste belang voor het IJsselmeergebied in deze groep zijn uiteraard de vissen, zie de Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen Nie, Henk W. de (1996), waarvan enkele de status ‘beschermd’ hebben. Andere zijn we soms liever kwijt dan rijk (‘verbraseming’). De bedenkelijke rol van de algemeen voorkomende brasem zou wel eens kunnen omslaan in haar tegendeel wanneer een ondernemer, bijvoorbeeld in Almere, deze voedselbron zou aanwenden tot de produktie van veevoer. In Nederland wordt 10 x zoveel mest geproduceerd als huisvuil. Het eiwit voor veevoer wordt nu door blauwalgen in de wortenknolletjes van vleugelbloemigen geproduceerd op 3 x de oppervlakte van Nederland in landen waar kinderen aan eiwittekort sterven. Het is echter lucratiever deze sojabonen aan onze varkens te voeren, dan kinderen ermee van de beri-beri te verlossen. Het nitraatrijke afbraakprodukt van eiwit, mest, komt deels uit Gelderland in de Randmeren terecht, waar zij voor de Brasem geschikt gemaakt worden door de stammen uit bovenstaande lijst die hier niet verder aan de orde komen. Elders in de wereld hebben boerderijen visvijvers met karper en brasem om deze mest terug te brengen in de kringloop. Nergens in Nederland bestaat een betere locatie om dit voorbeeld te volgen dan in het IJsselmeergebied. Het aanpassen van de viswet staat deze revolutionaire doorbraak voor de natuur in ons land in de weg: hengelaars geven hun recht op brasem niet zo gemakkelijk uit handen aan de beroepsvissers, die door een substantiële oogst voor veevoer zouden kunnen zorgen.

 

De soortenrijke stam van de weekdieren, waarvan Nederland 1% (ca. 300 soorten!) op zijn grondgebied telt, is onder andere van groot belang voor de duikeenden in het gebied. Hieraan ligt het grote succes van één exoot ten grondslag, de driehoeksmossel die in 1826 uit de Kaspische Zee in ons land verscheen en zich daar na 1975 snel over de inmiddels voedselrijke wateren verspreidde. Driehoeksmosselen kunnen zich zeer snel verspreiden en zijn nu algemeen in Nederland en Europa. Hun verschijnen in Noord-Amerika sinds 1989 veroorzaakt daar problemen Gittenberger, E. and A.W. Janssen (1998). Ze kunnen koel- en drinkwatersystemen verstoppen. Niettemin is deze mossel voorlopig de lieveling van vogelminnend Nederland. Voor de inrichting van de bodem van het Markermeer zijn enkele details belangrijk. Driehoeksmosselen kunnen 5 jaar oud worden. Zij hechten zich aan harde oppervlakken en volwassen dieren verplaatsen zich zelden. Zij beginnen hun leven als één van de miljoenen eieren die een vrouwtje kan verspreiden. De larven bewegen zich als plankton met trilharen voort tot zij een schelp ontwikkelen die ze naar de bodem doet zinken. Daar kruipen ze actief rond tot ze een beschutte harde aanhechtingsplaats met niet teveel licht gevonden hebben. Ze leven tot grotere diepten (tot tientallen meters diep) dan door duikeenden kan worden bereikt. De larven eten bacterieën, blauwalgen en zeer kleine deeltjes van het bezinksel in de meren (detritus). Als mossel groeien zij het snelst in voedselrijk en stromend water. Zij filteren het zo actief, dat het IJsselmeer tweemaal per maand wordt schoongemaakt door Driehoeksmosselen. Deze reinigende werking wordt ook toegeschreven aan de watervlo, een kreeftensoort. Mosselbanken trekken tal van andere levensvormen aan.

1.b.2                   Europees.

 Percentage van de
 Internationale vogelpopulatie
 
Tempel, Rita. van den and Eduard. R. Osieck (1994)
 

 j-d   Symbool lijkt op grafiek jan-dec

  V    Wintervogels

  M    Hele jaar, vooral in de winter                                                                                      

  P         Hele jaar                                                                                                           

  N    Hele jaar, vooral in de lente of z.

  L    Zomer, broedvogel                       

IJMEER

MARKERMEER

GOUWZEE

IJSSELMEER

OOSTV.PLASSEN

LEPELAARSPLASSEN

STAD

Water

V

carnivoor

grote zaagbek

 

 

 

4

 

 

 

V

carnivoor

nonnetje

 

2

1

2

 

3

 

V

drhmossel

toppereend

 

5

 

44

 

 

 

V

vissen

zeearend

 

 

 

 

n

 

 

V

planten

brandgans

 

 

 

 

2

 

 

V

planten

kolgans

 

 

 

 

1

 

 

V

planten

wilde zwaan

 

 

 

 

1

 

 

M

planten

grauwe gans

 

 

 

 

41

 

+

M

planten

krakeend

 

1

 

3

4

 

+

M

planten

pijlstaart

 

 

 

 

7

 

 

M

planten

smient

 

3

 

1

1

 

+

M

planten

tafeleend

6

2

 

1

 

 

+

M

planten

wintertaling

 

 

 

 

13

 

+

P

vissen

fuut

 

 

 

4

 

 

+

P

drhmossel

kuifeend

5

4

2

3

1

2

+

P

planten

knobbelzwaan

 

 

 

1

 

 

+

P

planten

meerkoet

 

 

 

1

 

 

+

N

planten

slobeend

 

 

 

 

1

 

+

P

vissen

reuzenstern

n

 

 

 

n

n

 

P

vissen

zwarte stern

 

n

 

64

1

 

 

Riet

V

carnivoor

bl. kiekendief/b

 

 

 

 

n

 

+

N

carnivoor

lepelaar/nb

 

 

 

 

7

1

+

L

carnivoor

lepelaar/b

 

 

 

 

16

2

 

N

vissen

roerdomp/b

 

 

 

 

n

 

 

L

insecten

porseleinhoen

 

 

 

n

 

 

 

Gras

N

carnivoor

grutto

 

 

 

 

1

 

+

N

carnivoor

kemphaan

 

 

 

 

n

 

+

Ruigte

N

carnivoor

kluut

 

 

 

 

6

 

+

L

insecten

blauwborst/b

 

 

 

 

n

 

 

L

insecten

steltkluut/b

 

 

 

 

n

 

 

L

vissen

visdief

 

 

 

n

 

 

+

Bos

L

vissen

aalscholver/b

 

 

 

 

15

7

 

P

vissen

aalscholver/nb

 

 

 

8

3

1

+

 

Figuur 418 De Europese verantwoordelijkheid voor  vogels

 

Het kwantitatieve Europese belang van het IJsselmeergebied voor vogels wordt ten behoeve van de Vogel- en Habitatrichtlijn uitgedrukt in hun presentie als percentage van de betreffende, meestal Europese populatie (zie hiernaast). De drempelwaarde is 1%. Locaties die dat niet halen, maar nationaal wel tot de 5 belangrijkste voor een soort horen zijn met een n weergegeven. In de tweede kolom kan men aflezen of de grafiek van hun aanwezigheid tussen januari en december een piek heeft in de zomer (T), de winter (V), of een variant tussen beide.

 

De seizoenmaxima voor de zwarte ztern en de toppereend waren hier buitendijks 64% en 44% van de Europese populatie. Zij zoeken het grote water op. Van de grauwe ganzen overwintert 41% binnendijks in de Oostvaardersplassen of blijft er het hele jaar. Van de Europese aalscholvers broedt (/b) 34% in de beboste delen van de Oostvaarders- en Lepelaarsplassen of verblijven (/nb) daar of in het IJsselmeer. Van de lepelaars broedt of verblijft 26% binnendijks. De kuifeend is met 17% in alle meren vertegenwoordigd.

 

De Oostvaardersplassen bewijzen hier de waarde van stille binnendijkse wateren, rietmoerassen, grasvelden, ruigten en bossen. De variatie aan vogelsoorten is binnendijks het grootst.

 

Het IJsselmeer is vooral voor carnivoren, knobbelzwanen en eenden Europees het belangrijkste water.

Het Markermeer is voornamelijk van Europees belang voor de eenden uit ditzelfde assortiment en blijft ondanks zijn grote oppervlakte achter bij het IJsselmeer.

 

In het IJsselmeer zwemt 10x meer vis dan in het Markermeer.

Het Markermeer heeft last van slib. Het wordt door de Houtribdijk tegengehouden, zodat het IJsselmeer daarvan gevrijwaard blijft. Door de wind wervelt het slib in het Markermeer van de bodem op. Dit vermindert de lichttoetreding, zodat de wieren hun basale werk niet doen en waterplanten zich alleen in de beschutte Gouwzee uitbreiden. De driehoeks­mos­selen raken ondergeslibd. Het aantal kuifeenden en tafeleenden in het Markermeer neemt af.

 

De conclusie moet zijn dat ook het binnendijkse gebied internationaal een belangrijke rol speelt. De ‘Map of the Natural Vegetation of Europe’ Bohn, Udo (2001), samengesteld door 102 geobotanici uit 31 Europese landen, is een mijlpaal in de internationale ecologie. Op deze kaart blijkt hoe internationaal zeldzaam de botanische potenties van de smalle kuststrook tussen België en Denemarken zijn. Zij zijn aangeduid als U2, ‘vegetatiecomplexen van bedijkte moerassen met waterminnende eiken/essenbossen en essen/iepenbossen’. Zij beslaan minder dan 1% van Europa.

 

 

Figuur 419 Europees zeldzame landschappen RIVM (2001)

 

 

De omringende landen worden tot de Alpen gekenmerkt door beukenwouden en verder naar het noorden verschijnen de naaldwouden: ‘Tussen de kust en de Veluwe gebeurt ecologisch meer dan van de Veluwe tot de Oeral’ Constandse, A.K. (1967). Niet het hele gebied is immers met deze ons zo vertrouwde boomsoorten bedekt. Het gaat om potenties op lange termijn. In de opeenvolging (successie) van in elkaar overgaande ecosystemen zou dit slechts het natuurlijke en gevarieerde eindstadium (climax) zijn met open plekken voor bijzondere vegetaties en fauna, vrijgehouden door grote grazers Vera, F. (1997). De bossen van de Flevopolders zijn in belangrijke mate de voorafspiegeling van dit eindstadium, maar er zijn ook gebiedsvreemde beuken- en naaldbossen die tot vestiging van bijzondere vegetaties zoals internationaal zeldzame paddestoelen leiden Zanen, Ger van, Piet Bremer et al. (2000). Dit roept de vraag op of de internationale zeldzaamheid van het kleimoeras ten behoeve van de regionale verscheidenheid een enkele keer mag worden doorbroken door bossen die elders algemeen zijn. Door vermesting en verzuring komt de onderbegroeiing van onze bossen echter nog niet veel verder dan brandnetel of bochtige smele Dirkse, G.M. (1994).

 

Uit het oogpunt van Europese verscheidenheid en zeldzaamheid zou het lage deel van Nederland één groot moerasbos moeten zijn. Dit is uit nationaal oogpunt uiteraard eentonig. De natuurlijke successie naar een eindstadium wordt echter overal in Nederland kunstmatig onderbroken. Zij wordt in verschillende, vaak productieve tussenstadia gehouden ten behoeve van natuurbehoud of agrarische doeleinden. De kunstmatigheid van de Nederlandse natuur als geheel volgt al uit het eenvoudige feit, dat de helft van ons land zonder menselijk ingrijpen zeebodem zou zijn. Wat in stand gehouden wordt, lijkt op een momentopname van de rivierdelta uit het begin van de jaartelling met jaarlijks veranderende waterlopen en pioniergemeenschappen. Dit landschap is sinds 1000nC toenemend door dijken gestabiliseerd. Het zeewater steeg en daalde met een periodiciteit van milennia sinds het einde van de Würm-ijstijd toen de Noordzee nog droog lag zo’n 10 000 jaar geleden, maar zal nu sneller en hoger stijgen dan ooit.

 

In ca. 10% van dit landschap verrijst warmere stedelijke bebouwing. De Nederlandse stad in het laagland is internationaal zeldzaam als waterstad met grachten en kades. Men vindt in de moderne steden door hun ruimere opzet, toegenomen hygiëne en/of natuurvriendelijk beheer tegenwoordig een groter aantal wilde plantensoorten per km2 dan veel natuurgebieden. Deze vegetatie en haar insectenfauna horen grotendeels thuis in zuidelijker en steenachtiger gebieden, maar zij vormen een genenbank voor warmere tijden en een refugium in de omringende agrarische woestenij voor daarvan levende dieren zoals vleermuizen en vogels. Tal van genoemde vogels worden in de stad gezien Melchers, Martin and Remco Daalder (1996). De fuut en de vos ontdekken een nieuw natuurgebied: de stad, terwijl de huismus verdwijnt.

De Nederlandse ruimtelijke ordening en architectuur zoals weerspiegeld in het bekroonde Nederlandse paviljoen van MVRDV op de wereldtentoonstelling in Hannover trekt wereldwijde belangstelling door zijn gedurfde vormen en organisatie. In dit paviljoen tekent zich een toenemende fascinatie af voor ongewone samenwerking met de natuur. Almere heeft een naam hoog te houden op het gebied van architectonische experimenten en als staalkaart van stedebouwkundige vormen. Wat hier mist is een amfibische waterwijk en water-architectuur.

 

Het inmiddels zoete IJsselmeergebied wordt in stand gehouden door bouwwerken als dijken en sluizen. Er heerst een onnatuurlijk peilbeheer (hoog in de zomer, laag in de winter). De Ministeries V&W en LNV ontwikkelen zich tot natuur- en milieuministeries op hun eigen terrein: in kunstwerken en agrarische bedrijfsvoering staat samenwerking met de natuur hoog op de agenda. Waterstaatswerken zoals grondverzet, dijken, wegen en hun bermen zijn object van natuurtechniek geworden Aanen, P., W. Alberts et al. (1990). Zij hebben ook binnen de steden aantoonbaar ecologisch effect door hun reliëf, inrichting en beheer. Vroeger door wasmiddelen en nog steeds door de Veluwse veeteelt fosfaat- en nitraatrijk water, bereikt het IJsselmeer via de IJssel en het Markermeer via de Randmeren. Daar werd het door soms te snel groeiende en daardoor toxische wieren, grazende en rovende waterfauna omgezet in voor grote aantallen vogels aantrekkelijke massa’s groenten, mosselen en vis. Deze vogels, uit veelal verre streken, maakten het gebied niet alleen van internationaal belang, maar ook nationaal zeldzaam. Door het succes van het milieubeleid (bijvoorbeeld fosfaatvrije wasmiddelen) komt er steeds minder nitraat en fosfaat de meren in. De productie van voedsel wordt door de verminderde beschikbaarheid van zulke mineralen begrensd. Andere nationaal bijzondere, minder productieve soorten kunnen zich vestigen. Misschien komt na het tijdperk van de trekkende vogels het tijdperk van de reptielen, amfibieën en zoogdieren die het gebied bij gebrek aan buitendijkse zandvlakten en ruigten (vooroevers en eilanden) nog niet gekoloniseerd hebben. Met het oog op de toekomstige rol van het gebied is inzicht in dit complexer wordende systeem van belang.

1.b.3                   Nationaal

In onderstaande tabel is de ecotoop weergegeven van Rode-Lijst vogels die in het IJsselmeergebied voorkomen Duuren, L. van (1997). De Rode Lijst weerspiegelt de Nationale zeldzaamheid van soorten. Het is een selectie van veel meer doelsoorten bij de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Daarin zijn ook de internationaal zeldzame soorten vertegenwoordigd.

 

 

NEST

VOEDSEL

vooral Insecten

stern zwarte

BA

open water

open water

+

dodaars

C

open water

open water

+

zomertaling

C

open water

open water

 

roerdomp

BD

rietvegetaties

rietvegetaties

 

rietzanger

C

rietvegetaties

rietvegetaties

+

snor

C

rietvegetaties

rietvegetaties

+

porseleinhoen

D

rietvegetaties

rietvegetaties

+

baardmannetje

DA

rietvegetaties

rietvegetaties

+

lepelaar

DA

rietvegetaties

rietvegetaties

+

karekiet grote

BD

rietvegetaties

ruigten

+

kemphaan

B

ruigten

grasland

+

visdief

C

zandige, open ruigten; pionier

open water

 

kluut

DA

zandige, open ruigten; pionier

open water

+

strandplevier

BD

zandige, open ruigten; pionier

zandige, open ruigten; pionier

 

bontbekplevier

D

zandige, open ruigten; pionier

zandige, open ruigten; pionier

+

tureluur

C

grasland

grasland

+

grutto

CA

grasland

grasland

+

  B           Sterk bedreigd

  BA         Sterk bedreigd, internationale betekenis

  BD         Sterk bedreigd, kwetsbaar

  C           Bedreigd

  CA         Bedreigd, internationale betekenis

  D           Kwetsbaar                              

  DA............................................................................................. Kwetsbaar, internationale betekenis

 

Figuur 420 De nationale verantwoordelijkheid voor vogels

 

 

De nationale zeldzaamheid van het gebied is naar het oordeel van zijn gevleugelde bezoekers volgens deze lijst open water, rietvegetaties, ruigten. graslanden en stiltegebieden (ook op het land van Zuid Flevoland). Aan het water zijn stiltegebieden van belang voor de kwetsbare ruiperiode van vogels, wanneer hun vluchtvermogen en menu beperkt is. Zo is de eenzame Houtribdijk buiten bereik van roofdieren en met voldoende voedsel een geliefde ruiplaats. Recreatief medegebruik moet dus in banen geleid worden. De openheid van grote wateren is ook zeldzaam als beeldkwaliteit, al liggen de Zeeuwse wateren op minder dan 100km afstand. Grote oppervlakken water zijn echter niet zozeer van ecologisch belang (alleen van de Toppereend is bekend dat hij zich in groepen van de kust in onzichtbare massa’s verwijdert, alleen de Aalscholver heeft een actieradius van meer dan 1 km). Zij zijn vooral van recreatief belang voor opvarenden in de ‘bruine vloot’ van oude schepen uit de historisch belangrijke havens in het gebied. Echte zeezeilers hebben de Waddenzee en Noordzee binnen handbereik, andere zeilers zijn voornamelijk gebaat bij randen in het zicht. Als de mastroute van de Zeeuwse wateren naar het Friese Merengebied, de ‘Blauwe Pijl’ uit het nationale plan, operationeel wordt, wordt het IJmeer een kruispunt van vaarwegen. Het is de vraag of deze recreatieve druk gunstig is voor ruiende en broedende vogels. Het verzet tegen hoogbouw aan de randen, zeker op eilanden voor de kust gesitueerd, zal groot zijn. Een minderheid van de zeilers is tegenstander van compartimentering door eilanden en vooroevers. Deze elementen voorzien echter in geïsoleerde rietvegetaties, ruigten en graslanden waar het areaal voor niet zwemmende roofdieren te klein is om vogels het leven onmogelijk te maken. De Lepelaar is bijvoorbeeld uit het Naardermeer verdreven door de vos. Het Markermeer is in dat opzicht weinig gedifferentieerd. Een grotere differentiatie van land-waterovergangen leidt tot een complexer systeem met meer soorten vogels en meer soorten dan vogels alleen.

1.c                      Vervangbaarheid

Zoals zeldzaamheid in kilometers kan worden uitgedrukt, kan men vervangbaarheid in jaren uitdrukken. Een combinatie van beide is voor het eerst door Joosten, J.H.J. and B.P.M. Noorden (1992) voorgesteld als waarderingsgrondslag voor ecosystemen. Deze methode wordt hier uitgewerkt en is voor het eerst toegepast in Almere (zie hoofdstuk 11.2, blz. 371) om ook menselijke artefacten in de vergelijking te kunnen betrekken. Zo’n vergelijkingsbasis is van belang voor tal van stedebouwkundige en politieke afwegingen. Het betreft een afweging op basale eigenschappen in ruimte en tijd. Het is bijvoorbeeld een alternatief voor de vroegere pogingen om natuur in geld uit te drukken of in functies voor de mens Maarel, E. van de and P.L. Dauvellier (1978; Groot, R.S. de (1992). Het biedt wellicht omgekeerd de mogelijkheid geld uit te drukken in meer algemene ecologische definities van schaarste en productiemogelijkheden. De vervangbaarheid van een ecosysteem of artefact kan worden uitgedrukt in het aantal jaren dat nodig zou zijn om het object opnieuw te laten ontstaan.

 

 

Figuur 421 Zeldzaamheid en vervangbaarheid

 

In deze figuur is weergegeven dat een mainport als Schiphol en een hoogveenformatie als de Peel (beide met een straal van 3km) in een straal van ca. 300 resp. 100km zeldzaam zijn, maar dat de tijd die nodig is om ze tot stand te brengen sterk uitéénloopt. Voor het herbouwen van een mainport is ca. 10 jaar nodig, maar het vernietigen van een hoogveenlandschap is op kortere termijn dan duizenden jaren onherstelbaar. Hun waarde kan nu worden uitgedrukt door beide waarden te vermenigvuldigen: 3000 voor een mainport en 1000000 voor een hoogveenlandschap in ons land. De waarden worden leesbaarder door daarvan de logaritme (het ‘aantal nullen’) te kiezen: 3,5 en 6.

 

Het in combinatie beschouwen van zeldzaamheid en vervangbaarheid, werpt tal van methodische vragen op, maar heeft bestuurlijke, culturele, economische, technische, ecologische en tijdruimtelijke aanknopingspunten die stadsecologisch relevant zijn. Ook als men aan de mogelijkheid van operationalisering twijfelt, kan het doordenken van dit uitgangspunt als gedachtenexperiment aanleiding geven tot verheldering op verschillende wetenschappelijk, technisch én bestuurlijk stadsecologisch relevante gebieden.

1.d                     Problemen van vergelijkbaarheid, welke categorieën?

Het IJsselmeer en de Oosterschelde zijn beide ecosystemen die in de vorige eeuw door menselijk ingrijpen uit een zout zeemilieu zijn ontstaan. In hoeverre zijn zij onderling vergelijkbaar? Dit is van belang om hun zeldzaamheid te kunnen bepalen. In de bepaling van hun vervangbaarheid speelt de kwestie van vergelijkbaarheid echter ook een belangrijke rol.

De vervangbaarheid van beide systemen kan in eerste benadering kleiner of gelijk stellen aan hun ouderdom, zeg 30 jaar. Daarbij doet zich echter de vraag voor wat men onder ‘herstel’ moet verstaan.

 

Zou hun ecosysteem dezelfde successie doormaken wanneer zij nu enkele jaren voor de zee zouden worden opengesteld en vervolgens weer van de zee zouden worden afgesloten? Er zijn tal van voorbeelden waarbij kleine verschillen in de begintoestand of verschillen in tussentijdse omstandigheden (bijvoorbeeld andere weersomstandigheden in cruciale fasen, de inmiddels ingetreden klimaatverandering, het andere recreatieve gebruik) de ontwikkeling een andere wending kunnen geven en tot een ander resultaat leiden. Zijn de verschillende uitkomsten van zulke mogelijk verschillende successies vergelijkbaar en tot één groep ecosystemen te rekenen? Als men hier ‘Nee’ op zou antwoorden, zou men het begrip ‘herstel’ geen betekenis kunnen geven. Men zou dan op grond van een vérgaand ecologisch inzicht in successievarianten en hun beïnvloedbaarheid, over een verfijnde indeling van resulterende ecosysteemcategorieën moeten beschikken om precies het huidige successieresultaat als herstelbaar te kunnen beoordelen. Een zo groot vertrouwen in ecologische voorspelbaarheid is niet gerechtvaardigd en de daarbij geïmpliceerde vérgaande planning van een exact beoogde natuur is onnatuurlijk en paradoxaal als we ‘natuur’ juist willen beschouwen en waarderen als niet door mensen gepland. Daarom moet men de definitiemarges van een ecosysteemcategorie in overeenstemming brengen met de voorspelbaarheid van haar door natuurlijk toeval gestuurde ontstaan en de vraag met ‘ja’ beantwoorden. Bij dezelfde abiotische uitgangssituatie van een grootschalige overgang van zout naar zoet moet men alle resultaten van mogelijke, binnen redelijke marges spontane, successies tot dezelfde ecosysteemcategorie rekenen.

 

Wat is echter ‘dezelfde abiotische uitgangssituatie’? Kan deze uitgangssituatie ooit opnieuw worden bereikt? Vanuit welke aantasting denkt men: het opnieuw totaal verzilten, een onverhoopt totaal door olie verontreinigd raken tot de dood van alle leven erop volgt, het volbouwen met woningen? Voor een geloofwaardige bepaling van de vervangbaarheid moet men de tijd die nodig is voor het terugbrengen tot een vergelijkbare uitgangssituatie optellen bij de tijd die nodig is voor de successie daarna.

 

Binnen één ecosysteem kan men spreken van ‘inwendige vergelijkbaarheid’, noodzakelijk voor de bepaling van zijn vervangbaarheid. Voor de bepaling van zeldzaamheid is ‘onderlinge vergelijkbaarheid’ van meer ecosystemen noodzakelijk. Zo kan men men de zeldzaamheid van het IJsselmeergebied relativeren door de aanwezigheid van de Oosterschelde. Vanaf blz. 32  wordt deze afweging aan de hand van een voorbeeld verhelderd.

1.e                     Perspectieven

Er zijn tal van bestuurlijke, culturele, economische, technische, ecologische en ruimtelijke omstandigheden (ruimtelijke contexten en perspectieven in de tijd) die het ecologische succes van welk plan dan ook beïnvloeden. Zij kunnen op verschillende schaalniveaus tegengesteld zijn zonder daarmee een rijke natuur in de weg te staan. Zo kan de provinciale natuurdoelstelling vooral kleimoerassen op het oog hebben, terwijl de gemeentelijke natuurdoelstelling plaatselijke afwijkingen in de bodem en het grondgebruik benut voor meer veelbelovende natuurontwikkeling op een zo klein oppervlak ter plaatse, dat zij de grote doelen niet in de weg staan. Zo kunnen landelijke verenigingen zoals Natuurmonumenten en ANWB de nadruk leggen op de recreatieve waarden en nationale infrastructuur, terwijl de Gemeente haar volkshuisvestingsverantwoordelijkheid vooropstelt.

 

Zulke tegenstellingen zijn vaak een kwestie van verschillende schaal en daardoor geen echte tegenstelling. Het bestuur kan landelijk sturend, regionaal volgend en ter plaatse weer sturend zijn. Cultuur kan landelijk traditiegericht, regionaal experimentgericht en lokaal weer traditiegericht (of omgekeerd) zijn. De nationale economie kan floreren, regionaal achterblijven, maar daarbinnen weer succesvolle lokaties vertonen. In meer fysiek-technische zin kan men zich nationaal richten op specialisatie in de Europese natuur of economie, maar lokaal streven naar functiecombinaties die plaatselijk een zekere compleetheid in levensvervulling opleveren. Ecologische verscheidenheid op Europees niveau kan homogeniteit op nationaal niveau opleveren en binnen de NW-Europese concentratie van bebouwing blijft ruimte over voor nationale spreiding en daarbinnen weer regionale concentratie.

 

Het aantal plausibele perspectieven op al deze niveaus is zo groot, dat voor een effect-analyse met enige voorspellende waarde geen sprake kan zijn, wanneer daaraan geen breed gedragen scenario ten grondslag ligt. Nationale, regionale en lokale Natuurdoelstellingen en vooronderstellingen omtrent bestuurskracht, culturele ontwikkelingen, economie, techniek, ecologie en ruimte zijn daarbij onmisbaar. Om deze vooronderstellingen schaalgeleed te ordenen, kan men het volgende schema hanteren:

 

 

straal

bestuurlijk

cultureel

economisch

technisch

ecologisch

ruimtelijk

mondiaal

10000 km

sturend

experimenteel

groei

integratie

diversiteit

spreiding

continentaal

1000 km

volgend

traditioneel

krimp

specialisatie

homogeniteit

opeenhoping

nationaal

100 km

sturend

experimenteel

groei

integratie

diversiteit

opeenhoping

regionaal

30 km

volgend

traditioneel

krimp

specialisatie

homogeniteit

spreiding

lokaal

10 km

sturend

experimenteel

groei

integratie

diversiteit

opeenhoping

stedelijk

3km

sturend

experimenteel

groei

integratie

diversiteit

opeenhoping

in de wijk

TKA

sturend

traditioneel

groei

specialisatie

diversiteit

spreiding

Hosper

sturend

experimenteel

groei

integratie

diversiteit

opeenhoping

H+N+S

volgend

experimenteel

groei

specialisatie

diversiteit

opeenhoping

 

Figuur 422 Voordersteld perspectief

 

 

 

Stedebouwkundige plannen voor hetzelfde gebied kunnen in perspectief verschillen. Zo verschillen de perspectieven van de stedebouwkundige plannen van TKA, Hosper en H+N+S die in hoofdstuk 11.2 beschreven worden (zie blz. 34) in opvatting of de overheid op wijkniveau sturend, dan wel volgend zal zijn, of men meer tradiotioneel of experimenteel zal willen wonen, of er sprake is van ge(de)concentreerde specialisatie of geconcentreerde integratie van functies.

De hier gegeven invulling is arbitrair en in hogere schaalniveaus voor de ontwerpen uniform, maar het schema opent de ogen voor verzwegen vooronderstellingen die de ontwerpers en de beoordelaars ten aanzien van verschillende niveaus hebben. Deze vooronderstellingen verschillen onderling bij de participanten in het besluitvormingsproces. Met name op lokaal niveau kunnen we ze echter gedeeltelijk ook realiseren. Als deze vooronderstellingen expliciet zijn, kunnen de effecten van verschillende plannen door nader onderzoek ook op buurtniveau worden ingeschat.

1.f Waarderingsgrondslagen

Liefde voor een dier- of plantensoort alleen, is niet altijd een goede leidraad voor inzicht in ecologische samenhang en perspectief. In een ecosysteem is de een zijn dood de ander zijn brood. Elke menselijke ingreep daarin is een keuze, zo ook het bouwen van een stadswijk. Om de ecologische effecten daarvan te rapporteren, is een veelzijdiger inzicht nodig dan enkele indicatorsoorten kunnen leveren.

In vrijwel elke stad zijn echter vogel-, vlinder-, planten-, paddestoelen-, reptielen, zoogdieren- en vleermuiswerkgroepen actief die een schat aan informatie verzamelen over hún fascinatie in het planten- of dierenrijk, een aaibare selectie. Duizenden vrijwilligers en honderden professionele biologen zijn dagelijks met liefde voor hun idool op pad om te tellen. Daardoor zijn er nu atlassen beschikbaar met de verspreiding van genoemde categorieën, maar ook van van waterplanten, weekdieren en vissen voor het Nederlandse en soms Europese of stedelijke grondgebied (bijvoorbeeld Amsterdam, [Melchers, 1991 #68; Melchers, 1996 #32; Denters, 1994 #67]) die hun voorkomen tot op 5km, soms 1km nauwkeurig vastleggen.

 

De spreidingskaarten worden na verloop van tijd aangepast. Er zijn nu al verschillende decennia vergelijkbaar, zodat het verloop van het voorkomen van de dier- of plantensoort nationaal en regionaal duidelijk wordt. Daarbij moet bedacht worden dat er nu meer en betere waarnemers zijn dan vroeger, zodat sommige soorten lijken vooruit te gaan, terwijl dat niet zo hoeft te zijn. Een recente mijlpaal in de Nederlandse synecologie is het overzicht van alle plantegemeenschappen Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder et al. (1995; Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda et al. (1995; Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder et al. (1996; Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda et al. (1998; Stortelder, A.F.H., J.H.J. Schaminée et al. (1999), de Atlas van de Nederlandse Plantengemeenschappen Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée et al. (2000) en hun electronische toegankelijkheid (Alterra, Synbiosys). Hierdoor ontstaat ook zicht op successiereeksen en dus planning voor iedere gemeenschap. Deze mogelijkheden worden de komende jaren benut in het nationale en provinciale beleid van de doelsoorten voor de EHS Bal, D., H.M. Beije et al. (1995; Schaminée, Joop and André Jansen (1998; Schaminée, Joop and Andre Jansen (2001). Dit boek maakt van al deze atlassen dankbaar gebruik. Hieronder wordt bijvoorbeeld het belang van kranswieren voor de krakeend gesuggereerd wanneer men verschillende bronnen raadpleegt.

 

IVN Vecht & Plassengebied

Bekhuis, Johan, Rob Bijlsma et al. (1987)

W.Kolvoort

Synbiosis, Alterra

Krakeend

04 Kranswieren-klasse

 

Figuur 423 Overeenkomsten in spreidingstoestand

 

 

Deze gegevens kunnen echter nog lang niet tot een sluitende systeembeschrijving worden samengevoegd. Pogingen daartoe op nationaal en regionaal niveau zijn in het werk gesteld, onder andere door het Ministerie van LNV en het RIZA. Het Ministerie van LNV legt voorlopig vooral een accent bij de relaties tussen vegetatie en vogels Schaminée, Joop and André Jansen (1998; Schaminée, Joop and Andre Jansen (2001). De aanwezigheid van bepaalde vogels kan inderdaad een indicatie zijn van combinaties van milieufactoren op verschillende schaal. Zij stellen immers eisen aan hun dynamische fourageergebied in relatie tot hun rustige broed- of ruiplaats. Het RIZA heeft recent een meer complete beschrijving gegeven van het IJssel- en Markermeer Noordhuis, R. (2000), met aandacht voor het fysische en chemische milieu, het door velen onderschatte plankton, de waterplanten, vissen, water- en broedvogels, de reptielen, amfibieën, zoogdieren, hun ontwikkelingen en regionale potenties.

Daaruit komt een dynamisch beeld van het IJsselmeergebied naar voren als een jong, kunstmatig en onvoorspelbaar ecosysteem, met een komen en gaan van soorten per seizoen, per jaar en per decennium in een veelal onopgehelderd onderling verband. Elk jaar worden in het IJsselmeergebied nieuwe soorten aangetroffen terwijl andere verdwijnen. Het is moeilijk in het verleden een referentie te vinden om te vermoeden waar het uiteindelijk heen zal gaan.

 

De relatie van het grote buitendijkse watersysteem met het eveneens dynamische en toenemend waardevolle ecosysteem op het nieuwe land wordt echter nauwelijks aangegeven, omdat het land, de Oostvaarders- en Lepelaarsplassen niet tot het studiegebied van de publicatie behoort. Toch is juist deze relatie van belang voor de beslissing om al of niet buitendijks te willen bouwen.

1.g                     Ecologische hoofdstructuur (EHS) en natuurdoeltypen

In het natuurbeleid is een ecologische hoofdstuctuur vastgesteld die per provincie nader wordt uitgewerkt.

 

 

 

Figuur 424 EHS Nederland

Figuur 425 EHS proviciale uitwerkingZuid-Holland en Gelderse poort op Internet

 

 

 

Het natuurbeheer in Nederland stelt zich bepaalde typen natuur ten doel om de EHS gestalte te geven. In Figuur 426 zijn deze natuurdoeltypen van het IKC/Ministerie LAVIN[3] aan een stedebouwkundige schaal gebonden.

 

 

hoofdgroep 1

hoofdgroep 2

hoofdgroep 3

hoofdgroep 41)

Naam

nagenoeg-natuurlijk

begeleid-natuurlijk

half-natuurlijk

multifunctioneel

Straal

3km

>1km

300m

100m

Toekomstbeeld

globaal

globaal

concreet

concreet

1.1.1.1.1         
1.1.1.1.2        STRATEGIE

· ruimtelijke schaal

 

Landschap > duizenden ha

Landschap > 500 ha

 

ecotoop/mozaiek tot circa 100 ha

ecotoop meestal enkele ha

· situering

 

vooral procesbepaald

 

proces- en patroonbepaald

proces-, patroon- en soortbepaald

patroon- en soortbepaald

· processen

niet gestuurd

Integraal gestuurd

detailgestuurd

detailgestuurd

· patronen

niet vastgelegd

 

niet vastgelegd

vastgelegd, eventueel cyclische successie

vastgelegd

· sturings-variabelen

geen

Procesgericht op landschapsniveau

proces- en patroongericht tot op ecotoopniveau

proces- en vooral patroongericht tot op ecotoopniveau

 

INRICHTING

· natuur-technisch

alleen in beginfase

alleen in beginfase

eventueel herhaald

eventueel herhaald

· milieukundig

alleen in beginfase

alleen in beginfase

zonodig permanent

geen

 

BEHEER

· intern natuurbeheer

geen

Geen

deels noodzakelijk

noodzakelijk

· comparti-mentering

geen

Geen

mogelijk in mozaiek

mogelijk

· medegebruik

 

(zeer) extensief

 

(zeer) extensief

 

(vrij) extensief

 

kenmerkend

1.1.1.1.3         
1.1.1.1.4        ONTWIKKELING

· succesie-stadium

meestal diverse stadia

Diverse stadia

een stadium / mozaiek

een stadium

· ontwikkelings-duur

gemiddeld lang

Gemiddeld lang

vrij kort

kort

· voorspel-baarheid

 

op lange termijn gemiddeld gering

op lange termijn gemiddeld vrij gering

vrij groot

groot

1) de kenmerken van de typen van subgroep 4B (afgeleide multifunctionele typen) zijn, afgezien van aan het medegebruik verbonden kenmerken, gelijk aan die van de typen waarvan ze afgeleid zijn.

 

Figuur 426 Overzicht  van natuurdoeltypen

 

De natuurdoeltypen zijn per fysisch-geografische regio gespecificeerd (Figuur 427).

 

Fysisch-geografische regio

Hoofdgroep

totaal

Landschapsschaal

ecotoopniveau

1

2

3

4

3km

>1km

300m

100m

hl

Heuvelland

1

2

12

2

17

hz

Hogere zandgronden

2

3

19

2

26

ri

Rivierengebied

0

2

12

2

16

lv

Laagveengebied

1

3

10

2

16

zk

Zeekleigebied

0

3

13

2

18

du

Duinen

1

1

16

2

20

az

Afgesloten zeearmen

0

3

8

1

12

gg

Getijdengebied

2

2

2

0

6

nz

Noordzee

1

0

0

0

1

 

Totaal

11

20

392

113

132

 

Figuur 427 Natuurdoeltypen per fysisch-geografische regio

 

Zo zijn voor de fysisch-geografische regio Hogere zandgronden (bijvoorbeeld Veluwe) de volgende typen natuur ten doel gesteld (Figuur 428).

 


 

 

Figuur 428 Natuurdoeltypen Hogere zandgronden

 

 

Figuur 429 Natuurdoeltypen Hogere zandgronden 300m

 

 

Figuur 430 Natuurdoeltypen Hogere zandgronden in locaal profiel

 

Voor het Rivierengebied zijn de volgende natuurtypen ten doel gesteld (Figuur 431).

 

 

 

Figuur 431 Natuurdoeltypen Rivierengebied

 

 

 

Figuur 432 Natuurdoeltypen Rivierengebied300m

 

 

 

Figuur 433 Natuurdoeltypen Rivierengebied in locaal profiel

 

Voor het Zeekleigebied zijn de volgende natuurtypen ten doel gesteld (Figuur 434).

 

 

3km

>1km

300m

100m

 

zk-2.1: klei-oermoras (inclusief zoet getijdenlandschap)

zk-2.2: kleiboslandschap

zk-2.3: laagveenmoeras

 

 

zk-3.1: zoetwater gemeenschap

zk-3.2: brak watergemeenschap

zk-3.3: zoute en brakke ruigte en landschap

zk-3.4: rietland en ruigte

zk-3.5: nat schraalgrasland

zk-3.6: bloemrijk grasland

zk-3.7: veenheide

zk-3.8: struweel, mantel- en zoombegroeiing

zk-3.9: hakhout en griend

zk-3.10: bosgemeenschappen van zeeklei

zk-3.11: bosgemeenschappen van veen-op-klei

zk-3.12: middenbos

zk-3.13: park-stinzenbos

zk-4.1: akker

zk-4.2: grasland

zk-4B: afgeleide doeltypen uit hoofdgroepen 1-4

zk-4B.3: rietcultuur

zk-4B.4: inheemse boscultuur

zk-4B.5: boscultuur met uitheemse soorten

 

 

 

Figuur 434 Natuurdoeltypen Zeekleigebied

 

 

 

Figuur 435 Natuurdoeltypen Zeekleigebied profiel

 

1.h                      Stadsnatuur

The relation between abiotic factors in urban areas and diversity of plant species is examined on 8 levels of scale. Hypotheses on the abiotic origin of this diversity, especially within cities, are listed on each level of scale. They are supported by examples from the cities of Zoetermeer and partially Enschede.

 

Steden zijn meer steenachtig, 1 à 3OC warmer en inmiddels vaak schoner dan hun agrarische omgeving. Zij zijn, dank zij de 19de – eeuwse hygiënisten (zie Houwaart, E.S.,1991), schoner en ruimer dan een eeuw geleden. Het milieu van steden is dynamisch (er zijn weinig plekken die niet ééns in de 25 jaar op de schop gaan), maar in abiotische zin ook gevarieerd. De voor botanische diversiteit  belangrijke abiotische verschillen (in combinaties van mineralen, vocht, bezonning, maaibeheer, verstoring, betreding, verharding, warmtecapaciteit) zijn er per km2 groter dan in agrarische gebieden en vaak groter dan in natuurgebieden. Op welk schaalniveau moet men deze variatie verklaren en benutten?

 

Als men regio's (straal 30km) met elkaar vergelijkt, komen bijvoorbeeld andere verschillen aan het licht dan wanneer men groepen gebouwen ('ensembles', straal 30m) met elkaar vergelijkt. Reizend door het verstedelijkte landschap ziet men bijvoorbeeld gemiddeld reeds binnen 30m betreding en bezonning variëren, maar vaak pas na 30km bodem en waterhuishouding. Welke verschillen in abiotische omstandigheden kunnen, op elk schaalniveau opnieuw, de verschillen in soortenrijkdom verklaren? Deze vraag is grotendeels onbeantwoord, maar voor stedebouwkundigen en civieltechnici van cruciaal belang, omdat deze disciplines, zeker in nieuwe situaties, letterlijk maat geven aan deze variabelen. Moet men door hoogteligging natte en droge gebieden om de 100km of om de 10m variëren? Moet men om de 100m of om de 1000m ontsluiten of ontwateren? Dit levert – afhankelijk van de bestaande context – een geheel verschillende diversiteit in abiotische uitgangssituaties. Wanneer men bovendien bedenkt, dat men dat in verschillende richtingen anders kan doen, levert dat een oneindig aantal ontwerp-alternatieven op. Welke van deze alternatieven levert de grootste ecologische rijkdom?

 

We kiezen voorlopig de volgende uitgangspunten (hypothesen):

 

Voor de vegetatie werkzame variatie

in een straal van ca.

 

hoogteligging, bodem

               30km

 

bodem, waterhuishouding

               10km

 

kwel, ontwatering, waterpeil, stadsontsluiting

                3km

 

stedebouwkundige opzet

                1km

 

verkaveling (spreiding van het groen)

               300m

 

verharding, betreding, huisdierbemesting, mineralen

               100m

 

hoogteverschil, maaibeheer, verstoring

                30m

 

bezonning

                10m

De straal moet men elastisch interpreteren tussen de naastgelegen stralen.

De laatste vier schaalniveaus onttrekken zich vooralsnog aan de waarneming per kilometerhok.

1.1.1.1.4.1     Schaalparadox
1.1.1.1.4.2      
1.1.1.1.4.3     Figuur 436 Hypothetisch werkzame variaties per schaalniveau in de ondergrond van stadsnatuur
1.1.1.1.4.4      

 

De schaalparadox in de stedebouwkunde (Jong, T.M. de, 1995) leert dat conclusies op hetzelfde schaalniveau (kleinste in beschouwing genomen korrel en grootste kader) moeten worden getrokken als waarop de premissen betrekking hadden. Betrekt men bijvoorbeeld in bovenstaande afbeelding telkens één cirkeltje en zijn omgeving in de beschouwing, dan moet men verschil constateren, terwijl men juist gelijkheid moet constateren wanneer men telkens groepjes van zeven met hun omgeving vergelijkt (zie ook Kolasa, J. en Pickett S.A., 1991). Het paradoxale begrip 'homogeen_mengsel' geeft precies aan om welk dilemma het gaat: op een bepaald schaalniveau is het homogeen, op een lager abstractieniveau is het heterogeen. Het begrip 'gebundelde deconcentratie' is een ander voorbeeld. Bij zulke begrippen moet onmiddellijk de vraag gesteld worden: 'op welke schaal het één, op welke schaal het ander?'. Deze figuur toont bovendien aan, dat zulke spraakverwarringen al mogelijk zijn bij een factor 3 lineair schaalniveauverschil. Tussen de zandkorrel en de aarde liggen 7 decimalen en dus ruim 14 begripsverwarringen op de loer.

 

Op die basis hebben wij in Amsterdam een beeldkwaliteitsplan gemaakt dat per schaalniveau een optimum zoekt in de tolerantie tussen verrassing en herkenning (in extremo chaos en orde) als zintuiglijke werking van variatie (Jong, T.M. de en Ravesloot C.M., 1995). Ook in de ecologie is diversiteit als oorzaak en als gevolg, of liever als abiotische voorwaarde en biotische werking, schaalgevoelig. De cruciale zeldzaamheid van soorten, biotopen, plantengemeenschappen, ecosystemen, landschappen, plantengeografische districten, is eveneens schaal-afhankelijk (mondiaal, continentaal, nationaal enz. zeldzaam). In Zoetermeer is bijvoorbeeld ooit een beleidslijn vastgesteld dat men zich zou toeleggen op mondiaal (10 000km straal) en regionaal (30km straal) zeldzame soorten (dus niet op nationaal zeldzame soorten). Inzicht daarin vergt echter een nog niet beschikbaar gedifferentieerd en meerjarig overzicht van de soortensamenstelling en hun herstelbaarheid binnen 1, 10, 100 jaar enz. (zeldzaamheid in de tijd). Daarmee wordt ook een rationele afweging tussen verschillende stedelijke functies mogelijk (een mainport is zeldzaam binnen 300km, herstelbaar binnen 10 jaar, een veenlandschap binnen 300km en 1000 jaar). Zeldzaamheid en herstelbaarheid laten we in dit artikel echter bij gebrek aan gegevens buiten beschouwing. Een schaalgelede beschouwing van diversiteit is voorwaarde en een goede eerste stap naar zo'n schaalgelede beschouwing van zeldzaamheid.

Met dank aan Johan Vos (Zoetermeer), Pieter Stolwijk (Enschede) en Kees Groen (Floron), zullen we nu proberen aan de hand van hun voorbeelden uit Zoetermeer en waar nodig Enschede bovenstaande hypothesen te onderbouwen. We signaleren daarbij leemten in onze kennis voor nader onderzoek of om door lezers opmerkzaam gemaakt te worden op bestaande kennis (T.M.deJong@bk.tudelft.nl).

1.h.1                   Diversiteitsverschillen tussen en binnen de regio's

Zoetermeer en Enschede (ongeveer even groot) liggen in gebieden die in soortenrijkdom zeer verschillen. Het stedelijke gebied van Zoetermeer en Enschede verschilt in diversiteit (afgezien van de soortensamenstelling), echter weinig. Dit komt overéén met de referenties van Denters (1999) die erop wijzen dat de flora van een stad sterk afwijkt '… van die in de direkte omgeving, terwijl er tussen de flora van de diverse steden opmerkelijke overeenkomsten bestaan. …'  De ouderdom heeft, wanneer men de steden als geheel beziet op regionaal niveau, geen grote invloed op de diversiteit. Ook de invloed van de bodem (respektievelijk klei en zand) moet niet worden overschat, omdat bij het bouwrijpmaken in het lage land, zand als ophoogmateriaal wordt gebruikt. Dat is overigens in Zoetermeer beperkt gebeurd. Behoudens bij infrastructuurgebonden reliëf is hier in principe op de kleibodem slechts partieel opgehoogd tot ca. 40cm met een gesloten grondbalans uit nieuwe waterpartijen en bouwputten. Om de ca. 400m treft men watergangen aan. Het stedelijke gebied wordt hier overal min of meer gelijk ontwaterd tot 1m onder het maaiveld.

 

Diversiteitsverschillen op stadsniveau

Zowel in Enschede als in Zoetermeer bestaan grote verschillen in soortenrijkdom binnen de stad. In onderstaande figuren zijn voor beide steden het aantal wilde-plantensoorten per vierkante kilometer in stippen van 10 soorten weergegeven, zoals meer precies geïnventariseerd door Floron en door plaatselijke waarnemers (gemeente en KNNV).

 

 

ENSCHEDE

 

ZOETERMEER

 

Figuur 437 Stedelijke verschillentussen regio’s

 

 

Nieuwe perifere wijken in Enschede scoren relatief hoog, oude centrale wijken evenals bijvoorbeeld in Den Haag relatief laag. In Zoetermeer is bijna alles nieuw. Wat in Zoetermeer in tegenstelling tot Enschede opvalt, is juist de in veel doorsnedes aflopende soortenrijkdom van het midden naar de rand. Het hoogste aantal soorten vindt men midden in de stad bij het oude dorp waaromheen de groeistad in 30 jaar, eerst naar het westen en vervolgens met de klok mee gegroeid is. De randen van de stad zijn minder bereikbaar en soms minder toegankelijk voor waarnemers. Eutrofiëring vanuit de landelijke omgeving kan een rol spelen. Het oude dorp is de afgelopen jaren minder op de schop gegaan dan de rest. Het centrum is verder een concentratie van oude hoge weteringen en reliëfrijke nieuwe infrastructuur zoals de sprinter en de stadssnelwegen met weinig betreden bermen. Beide dragen bij aan de plaatselijke soortenrijkdom. In beide steden lijkt een concentratie van infrastructuur tegen verwachting meer soorten op te leveren. Ook bedrijventerreinen scoren goed.

 

De watergangen in Zoetermeer lijden naar het noorden in toenemende mate onder fosfaat- en ijzerhoudende kwel met door algen troebel water. Hun aanvankelijk vegetatie-onvriendelijke onderhoud met veegboten is de laatste jaren beperkt tot voor de doorstroming essentiële flessehalzen in het watersysteem. Oude, qua peil soms 4m hoger gelegen weteringen die bij de stedebouwkundige opzet zijn gespaard, hebben zonder kwel helderder water en hun oevers hebben een soortenrijke en soms zeldzame flora. Ruige plasbermen in de waterrand met rietkragen, rechtstreeks onder invloed van deze kwel zijn schilderachtig, maar dragen relatief weinig bij aan de soortenrijkdom.

 

De hoge, droge, kalkrijke, regelmatig vegetatievrij gehouden spoorlijn levert tussen de onderhoudsbeurten een voor sommige kilometerhokken ongewoon pioniersmilieu dat daardoor bijdraagt aan de plaatselijke soortenrijkdom. De taluds van deze lusvormige 'sprinterlijn' hebben alle denkbare variatie in bezonning. Als enig beschreven voorbeeld van werkende ecologische infrastructuur bracht de sprinterlijn na opening in 1977 in 1984 de st. jacobsvlinder via een lang geel lint van jacobskruiskruid uit de duinen bij Den Haag (van Wely, 1993). Of het afvoeren van maaisel bij snelwegbermen heeft bijgedragen aan de soortvermeerdering van 200 naar 222 over het hele hoofdwegennet tussen 1982 en 1988 is moeilijk te bewijzen (Vos, 1990). Wellicht heeft toenemende beschaduwing en bladval van opgroeiende beplanting en bemesting door huisdieren vanaf hooggelegen paden de beoogde verschraling tegengewerkt. Voedselrijke en vochtige graslanden worden 2x per jaar gemaaid, drogere en nattere graslanden eenmaal per jaar.

 

Verschillen in abiotische uitgangssituatie op kleinere schaal

Onderstaande figuur toont drie stedebouwkundig zeer verschillende kilometerhokken vanaf de wijk Meerzicht (links) tot het Oude Dorp (rechts) in Zoetermeer. Ook de gevonden soortenaantallen verschillen aanzienlijk. Meerzicht was in de zeventiger jaren de derde nieuwbouwwijk na de hoogbouwwijken Palenstijn en Driemanspolder die vanaf de snelweg het beeld bepalen. Van hier af werd de hoogbouw voor de nieuwere noordelijke wijken afgezworen. De stedebouwkundige variatie op wijkniveau (straal 1km) lijkt hier van invloed te zijn op de soortenrijkdom, maar kan verstoord zijn door plaatselijke elementen zoals de sprinterlijn.

 

Kilometerhok  91, 452, Meerzicht

92, 452

93, 452 Centrum-zuid

179

202

332 wilde-plantensoorten

Ontleend aan de topografische kaarten 1:25 000 © Topografische Dienst Emmen

 

Figuur 438 Verschillen op wijkniveau

 

 

De variatie in mineralenrijkdom, vocht, zonlicht, verharding en verstoring is op dit schaalniveau effectief, maar kan alleen voor stedebouwkundige doeleinden geëvalueerd worden door inventarisaties met een kleiner oplossend vermogen dan de gebruikelijke km2. De ‘mean-field assumption’ (Dieckmann c.s., 2000) in het gangbare statistische ecologische onderzoek voldoet daarvoor niet. Het maaibeheer kan bijvoorbeeld door gedetailleerde planning variëren binnen een straal van 30 m. Voor zulke arbeidsintensieve inventarisaties zouden scholen kunnen worden ingeschakeld. Er is een begin gemaakt met de inventarisatie van abiotische factoren in een straal van 100m voor het stedelijke natuurtype 'natuur in de woonomgeving' (Breems s.c., 2000).

 

Conclusies

Voor een echt ecologisch stedebouwkundig ontwerp is schaalgeleed ecologisch onderzoek in steden noodzakelijk, waarin verschillen in soortenrijkdom en zeldzaamheid binnen een straal van 1km, 300, 100, 30 en 10m afzonderlijk worden verklaard. Voor de afweging tegen andere functies is een maat voor herstelbaarheid (binnen 1, 10, 100 .. jaar) gewenst. Tegen gangbare stadsecologische opvattingen pleiten de geconstateerde soms negatieve invloed van kwel, de onverwacht positieve invloed van bedrijfsbestemmingen, van verkeersinfrastructuur, de geringe invloed van de ondergrond, van plasbermen en van de ouderdom van bebouwing op de botanische diversiteit. Hiermee is bijvoorbeeld ook de veel beleden strategie van de twee netwerken (verkeersinfrastructuur en water) in zijn schaalloze vorm weerlegd.

 

Literatuur

Breems; W. den, Hoving; S, Meeusen, C,  Methorst, R,  Michel; D, Panebianco, D,  (2000) Zoeterméér NATUURLIJK! Een kleurige woonomgeving, afstudeerscriptie Hogeschool Delft in opdracht van de Gemeente Zoetermeer.

Denters, T. (1999) De flora van het Urbaan district, Gorteria 25-4.

Gemeente Zoetermeer (1999) Zoeter meer kleuren, Zoetermeer, samengevat in Vos, J. G, (1999) Van natuurlijk groenbeheer naar een stadsnatuurplan, Groen 99-6.

Dieckmann, U; Law, R.; Metz, J.A.J. (2000) The geometry of ecological interactions, IIASA en Cam-bridge University Press, Cambridge.

Houwaart, E.S. (1991) De hygiënisten. Artsen, staat & volksgezondheid in Nederland 1840 - 1890, Historische uitgeverij Groningen. Uit deze beweging is de Woningwet en de stedebouwkunde als mili-eudiscipline met zijn aandacht voor lucht en licht in de woonomgeving voortgekomen.

Jong, T.M. de (1995) Systematische transformaties in het getekende ontwerp en hun effect, Diesrede TUD, Delft.

Jong, T.M. de en Ravesloot C.M. (1995) Beeldkwaliteitsplan stadsdeel 'de Baarsjes' Amsterdam, Stichting MESO, Zoetermeer.

Kolasa, J. en Pickett S.A. (1991)  Ecological heterogeniety, Springer-Verlag, New York.

Vos, J. G. (1990) Bloemrijke linten door Zoetermeer. Het resultaat van meer dan 10 jaar maaien en afvoeren? Groen 90-2.

Wely, P. van (1993) De eerste sint-jacobsvlinder in Zoetermeer, Kwartaalbericht KNNV 2, Zoetermeer.

1.h.2                   Stadsnatuurwaardering

Er is geen eenstemmigheid over de wijze waarop wij de stadsnatuur moeten waarderen. Dit blijkt wel uit een debat onder biologen in de Werkgroep Stedelijke Ecologie  op 20 juni 2001

 

Aanleiding: Artikel Bram Mabelis

In nummer 6 van de levende natuur (2000) is het artikel ‘kwaliteitsmeters voor stadsnatuur’ verschenen. Op verzoek van Bram Mabelis werd het op 20 juni 2001 in de werkgroep Stedelijke Ecologie besproken. Gaande het gesprek kwamen ook andere publikaties en methodieken aan bot. Uit de discussie blijkt dat potentie, tijd en schaal belangrijke begrippen zijn voor een natuurwaarde. De bruikbaarheid van een methodiek ligt in de balans tussen politiek, ontwerp en wetenschap. Ieder van deze drie heeft haar eigen karakter en waarden.

Onderstaand de verschillende teksten van de reacties:

 

IJsbrand Zwart

geeft aan dat hij als beleidsmedewerker ecologie in Almere druk op zoek is naar een ecologische basiskaart met waardering. Gezien het feit dat Almere 25 jaar oud is heeft het een beperkte bestaande kwaliteit en missen er veel gegevens. De ondergrond (klei of bouwzand) biedt eveneens niet veel bijzonders. Het beschrijven van ecotopen sluit aan op zijn gedachten om de natuurwaarden van Almere in kaart te brengen. Door gebrek aan gegevens is het voor hem niet mogelijk de soorten als graadmeter te gebruiken. De methodiek leunt voor hem te veel op bestaande gegevens en kwaliteiten. Met name de potenties die aanwezig zijn spelen een belangrijke rol.

 

Henk Timmermans

Het nadenken over kwaliteitsmaten en gewichten voor stedelijke natuur vereist enerzijds enige standaardisatie, en dat zou goed kunnen worden gedaan bij de instituten, en anderzijds moet het aansluiten bij en bruikbaar zijn voor de praktijk. Dat laatste moet worden gedaan, en wordt gedeeltelijk al gedaan, door de gemeentelijke diensten. Maar die zijn allemaal hun eigen wiel aan het uitvinden. Er moet in dezen dus samenwerking worden gezocht tussen gemeentelijke diensten onderling, de uitwisseling tussen instituten zou op een hoger nivo kunnen worden gebracht en de relatie onderzoek-praktijk moet worden verbeterd. Dat zou kunnen in een groot project, maar geen van de deelnemende actoren is kapitaalkrachtig of invloedrijk genoeg om zo'n project van de grond te trekken. Is hierin geen (coördinerende) taak, en daarmee een raison d'être, voor de WLO weggelegd?

 

Robbert Snep

Robbert Snep onderschrijft het belang van kwaliteitsmeters voor stadsnatuur. Belangrijk daarbij is om potentiële en huidige natuurwaarde uit elkaar te houden. De huidige natuurwaarde kan bepaald worden middels inventarisatie natuurwaarde en monitoring doelsoorten. De potentiële natuurwaarde wordt bepaald door (a)biotische randvoorwaarden, de ruimtelijke ligging (lokaal, regionaal & nationaal) en dynamiek (beheer & verstoring). Zowel bij het uitwerken van inventarisatie- & monitoringsmethoden alsmede het bepalen van de potentiële ecologische waarde worden nog veel zaken over het hoofd gezien (schaalniveau, volledigheid, betrouwbaarheid, vlakdekkendheid). Een nadere uitwerking van methoden en vervolgens (indien succesvol) standaardisatie van deze methoden zou wenselijk zijn.

 

Taeke M. de Jong 2001-06-27

Kwaliteitsmeters voor stadsnatuur (Mabelis 2000) (Zoest 2001) hebben bestuurlijke, culturele, economische, technische, ecologische functies en een functie voor de (tijd)ruimtelijke ordening. In deze laatste functie komen de eerdergenoemde functies alle terug. Binnen de ruimtelijke ordening en stedebouw met zijn eigen kwaliteitscriteria (gebruikswaarde, belevingswaarde en duurzaamheid in velerlei betekenis, zoals de 'robuustheid' van het ontwerp, het vermogen in veel verschillende omstandigheden voor veel verschillende belanghebbenden te kunnen blijven functioneren) ligt de nadruk niet op de actuele waarde van een gebied, maar op zijn potentiële waarde in de toekomst. Dit ontwerpersperspectief is van een wezenlijk andere modaliteit dan die van de empiricus. Stedebouw en ruimtelijke ordening scheppen slechts voorwaarden, zij kunnen geen gebruikswaarde, belevingswaarde of duurzaamheid veroorzaken of voorspellen. In de ecologie speelt eenzelfde probleem van onvoorspelbaarheid door het ontbreken van veel nog onbekende en soms ongrijpbare causale verbanden.

 

Bij de stedebouwkundige ontwerpprofessie bestaat al meer dan 30 jaar weerstand tegen waarderingskaarten die vanuit een sector samengestelde waarden vastleggen (zie bijvoorbeeld het debat in de jaren '70 over de milieukartering) omdat alleen uit deelwaarden meerwaarde kan worden samengesteld. Vanuit verschillende sectoren (bestuur, cultuur, economie, techniek, ecologie, bestaand kapitaal) worden zulke kaarten gemaakt. Soms wordt op al deze kaarten, bijvoorbeeld verzameld als lagen in een GIS-systeem een 'zeef-analyse' toegepast, waaruit een vlekkenkaart met veto's resulteert. Zijn die veto's eenmaal vastgelegd, dan is de rol van die sectoren in het besluitvormingsproces uitgespeeld. De stedebouwkundige concepties die in zo'n 'belemmeringenkaart' of 'randvoorwaardenkaart' nog toelaat, zijn vaak niet meer dan 'rest-opties' die onvoldoende of slechte woonmilieus opleveren. In de praktijk hebben al deze sectorkaarten hun eigen onnaspeurbare vooronderstellingen en ingewikkelde afwegingssytemen die in het politieke debat gewantrouwd worden omdat zij niet in 'eenvoudige ronde woorden' kunnen worden gevat. De ontwerper neemt in deze verwarring de kans te baat, al deze belangen te bruskeren met een nieuw concept dat mogelijkheden schept die niemand had voorzien. Daarmee worden de adviezen vooraf  overstemd door reacties van sectoren die hun kruid droog gehouden hebben en een nieuwe kans ruiken. Ongemerkt is de agenda veranderd ten gunste van de op het beslissende moment hardstroependen. Het is de kunst in eenvoudige, ronde woorden of beelden, planalternatieven ecologisch tegen elkaar uit te spelen. De waarderingskaart komt daarbij een enkele keer te pas, maar een voortdurend daarnaar verwijzen verliest overtuigingskracht, omdat dan de andere sectoren hun eigen waarderingskaart, al of niet vanuit een verborgen agenda in het spel brengen. Het dobbelspel van de politiek kijkt alleen naar de kant die op het juiste moment boven ligt.

 

Niettemin ziet iedereen ecologische waarden teruglopen, hoe men ze ook meet. Het is zaak een methode te vinden, waarbij niet alleen geregistreerde waarde wordt beschermd en gestabiliseerd, maar ook de waarde van 'waardeloze' gebieden in handen van ontwerpers toeneemt en in veranderende omstandigheden nieuwe kansen krijgt. De ecologie kan vegetatiebeelden bieden die het voorstellingsvermogen van ontwerpers vleugels geeft. Voor mij is het doel van de stadsecologie, de ontwerprelevante vooronderstellingen van verschillende ecologische waarderingen te operationaliseren in een taal die voor ontwerpers en politici ook ten aanzien van andere sectoren een afwegingskader biedt. Mijn eerste poging  (Jong 2001) neemt zeldzaamheid en vervangbaarheid als uitgangspunt van waardering. Deze ecologisch belangrijke variabelen sluiten aan op de denkwereld van de stedebouwkundig ontwerper, maar hebben ook economisch betekenis. Zij bieden  ontwerptechnisch en politiek een kader waarin ook andere sectoren kunnen worden afgewogen.

Aangezien het stedebouwkundige werk en het politieke ambacht beide schaalgeleed (Europees, nationaal, provinciaal, regionaal, gemeentelijke) zijn, is ook schaalgeleding in de ecologie wenselijk. Elk schaalbereik tussen een gegeven korrel en kader van besluitvorming heeft zijn eigen afweging.

 

Met de systematiek van Mabelis zijn twee verschillen aan te wijzen die tal van interessante theoretische implicaties hebben. Zo is de korrel van Mabelis het soortniveau, het kader dat van een referentie-oppervlak op park, buurt- wijk- of stadsniveau. Bij de afweging van Almere Pampus is na lang dubben het buurtniveau (straal 300m) als korrel genomen bij een variabel kader. Door 'soortgelijke' referenties in de wijde omgeving in het zeldzaamheidsbegrip op te nemen, voorkomt men veel problemen bij het vaststellen van de historische plaatsgebonden referentie. De referentie is dus niet intern, zoals bij Mabelis, maar extern: zijn er soortgelijke systemen in de (wijde) omgeving? Deze referenties veranderen tegelijk en naspeurbaar, wanneer bijvoorbeeld een klimaatverandering de historische referentie irrelevant zou maken. Bovendien is de stedelijke omgeving door ophoging (bouwrijpmaken met zand), ontwatering en gemiddeld hogere temperatuur al onvergelijkbaar met historische referenties, of men zou zich tot de wijkparken met een vergelijkbaar waterbeheer als voorheen moeten beperken.

 

De keuze van Mabelis voor het aantal indicatorsoorten ongeacht hun zeldzaamheid en samenhang ondersteun ik. Als de zeldzaamheid op systeemniveau gewogen kan worden, dan zou meewegen van zeldzaamheid op soortniveau tot dubbelwaardering leiden. Mabelis meet alléén indicatorsoortdiversiteit. Dat is op zichzelf een waarderingskeuze die ondoorzichtig kan worden en disussie oproept, wanneer de indicatorkeuze door professionele ecologen ingewikkeld gemaakt wordt. Mijn vraag in Almere was, vanuit welke schaal en categorieën men de systeemgrens moet kiezen, om systemen in de omgeving 'vergelijkbaar' te kunnen noemen. Daar ben ik nog niet uit. Misschien is daarvoor helemaal geen systematische categoriekeuze noodzakelijk. Enerzijds ben ik onder de indruk van de enorme hoeveelheid inventarisatiegegevens die nu door de inspanning van Schaminée uit de plantengemeenschappenschool van Westhoff tevoorschijn komen, en in de natuurdoeltypen van LNV worden ingebouwd (Schamineé and Jansen 1998; Schaminee and Jansen 2001), anderzijds ben ik ook gevoelig voor de kritiek op zulke vooropgezette categorievorming. Ik voel meer voor abiotisch georiënteerde ecotooptypen, omdat zij direkt stedebouwkundig beïnvloedbaar zijn en op potenties duiden, maar gegevens en voorspellingen op grond daarvan zijn minder toegankelijk.

 

Zeker in het urbane district ontstaan voortdurend nieuwe categorieën of er worden nieuwe ruimtelijke constellaties herkend die niet in een bestaande typologie passen. Binnen het ontwerpvak bestaat een soortgelijk probleem al, wanneer je een gebouwentypologie, laat staan een stedebouwkundige typologie probeert op te stellen. Iedere afstudeerder zal proberen te bewijzen dat zijn ontwerp daar niet in past en dus een 'nieuw type' is. De StandaardBedrijfsIndeling (SBI) van het CBS uit de 50er jaren deelde de bedrijfscategorieën in, in houtindustrie, straalindustrie, textielindustrie enzovoort, maar liep stuk toen er meer industrieën onstonden die al deze materialen door elkaar gingen gebruiken. De statistiek van de oude bedrijfsindeling werd onvergelijkbaar met die van die nieuwe, zodat op grond van dit materiaal geen meerjarige prognoses meer mogelijk waren. Hetzelfde gebeurde bij de grondgebruiksstatistiek. Elke categorisering is dus het kind van zijn tijd en draagt daarvan de verborgen vooronderstellingen mee. Het enige wat blijft is het niveau van de soort, dat moet ik Mabelis nageven, al blijkt ook de taxonomie een dynamisch proces.

 

Ik weet niet hoe de ecologische waarderingskaarten die van Zoest van Amsterdam liet zien, zijn gemaakt. Ik ben er benieuwd naar en hoop dat hun waarderingssystematiek zo eenvoudig is, dat ontwerpers ook toegang hebben tot hun vooronderstellingen. In dat geval ontstaat er ook belangstelling voor de ecologische potenties van minder waardevolle gebieden en dat is uitdagender en productiever dan een vetokaart van waardevolle gebieden. In Almere is voorlopig alleen sprake van minder waardevolle gebieden, hier komt het dus aan op het uitbouwen van abiotische potenties. Dat vergt ontwerp, ecologisch ontwerp, het creëren van levensvoorwaarden. Misschien moet men bij natuurontwikkeling geen andere doelen voor ogen hebben dan diversiteit. Wij waarderen de natuur immers juist en vooral als het ontbreken van menselijke invloed. In dat licht zijn natuurdoeltypen paradoxaal. Een huis ontwerpen we ook niet om een bepaald huishouden te veroorzaken, we ontwerpen een oikos slechts om verschillende huishoudens mogelijk te maken.

 

Literatuur

Jong, T. d. (2001). Schaalgeleding in de stadsecologie. Zoetermeer, TUDelft.

Mabelis, B. (2000). "Kwaliteitsmeters voor stadsnatuur." De Levende Natuur 01(6).

Schaminee, J. and A. Jansen, Eds. (2001). Wegen naar Natuurdoeltypen 2 Ontwikkelingsreeksen en hun indicatoren voor herstelbeheer en natuurontwikkeling  (sporen B en C). Wageningen, Expertisecentrum LNV Alterra, KIWA, SOVON.

Schamineé, J. and A. Jansen, Eds. (1998). Wegen naar Natuurdoeltypen; Ontwikkelingsreeksen en hun indicatoren voor herstelbeheer en natuurontwikkeling (sporen A en B). Wageningen, IKC, ibn-dlo, KIWA, SOVON.

Zoest (2001). Ecologische waarden Amsterdam (?). Amsterdam.

 

 



[1] Het huis van het Hoogheemraadschap Delfland aan de Oude Delft 167

[2] Het plantenrijk is landsdekkend per uurhok geïnventariseerd. Zie voor gegevens voor en na 1950 Mennema, J., A.J. Quene-Boterenbrood, et al. (1980) Atlas van de Nederlandse flora deel 1. (Amsterdam) Kosmos.. Meer recente kaarten per plantensoort  zijn te vinden in Meijden, R.v.d., Ed. (1999) Heukels' Interactieve Flora van Nederland Wolters- Noordhoff BV; Biodiversity Center of ETI, Rijksherbarium, Natuur en Techniek, Kosmos-Z&K Uitgevers. en de synecologische CD-ROM Synbiosis van Alterra (Wageningen). De Stichting FLORON inventariseert sinds enkele jaren de flora per km2 Groen, Gorree;, et al. (1995) Florbase; een bestand van de Nederlandse flora periode 1975-1990. (Bilthoven) CML-rapport nr. 91, RIVM.. Van de paddestoelen zijn ca. 400 per uurhok in kaart gebracht Nauta, M.M. and E.C. Vellinga (1995) Atlas van de Nederlandse paddestoelen. (Rotterdam) A.A. Balkema Uitgevers BV.. De landelijke spreiding van de 107 dagvlinders vindt men in Tax, M.H. (1989) Atlas van de Nederlandse dagvlinders. ('s-Graveland / Wageningen) Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland / Vlinderstichting., de Europese spreiding van een veel groter aantal in Bink, F.A. (1992) Ecologische Atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa. (Haarlem) Schuyt & CO BV.

Halder, I.v., I. Wynhoff, et al. (2000) Dagvlinders van Europa ETI, Natuur en Techniek, Veen Magazines, Kosmos- Z&K Uitgevers. Van 374 vogelsoorten is merendeels per maand de landelijke spreiding beschreven door SOVON Bekhuis, J., R. Bijlsma, et al., Eds. (1987) Atlas van de Nederlandse Vogels. (Arnhem) SOVON., voor steden zoals Amsterdam Melchers, M. and R. Daalder, Eds. (1996) Sijsjes en drijfsijsjes; De vogels van Amsterdam. (Haarlem) Schuyt & Co BV. zijn afzonderlijke atlassen beschikbaar of inventarisaties zoals in Zoetermeer Meerendonk, W.W.A.v. (1998, januari) “Vogelwerkgroep Zoetermeer.” KNNV, Kwartaalbericht nr 19.. Vogelgidsen Furgeson-Lees, J. and I. Willis (1987) Tirions Vogelgids. (Baarn) Tirion BV.

Burton, P. and P. Hayman (1991) Het vogelboek. (Ede) Zomer & Keuning Boeken BV. bevatten veelal Europese spreidingskaarten. Voor tal van anders soortgeroepen zoals amfibiën en reptielen Bohemen, H.D., D.A.G. Buizer, et al., Eds. (1986) Atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen. (Hoogwoud) KNNV Uitgeverij., vleermuizen Limpens, H., K. Mostert, et al., Eds. (1997) Atlas van de Nederlandse vleermuizen; Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Natuurhistorische Bibliotheek van de KNNV. (Utrecht) KNNV Uitgeverij., vissen Nie, H.W.d., Ed. (1996) Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen. (Doetinchem) Media Publishing Int BV., weekdieren Gittenberger, E. and A.W. Janssen, Eds. (1998) De Nederlandse zoetwatermollusken; Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. Nederlandse Fauna 2. (Leiden / Utrecht) Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland. zijn afzonderlijke landelijke atlassen verschenen.

[3] Bal, Beije, Hoogeveen, Jansen en vd Reest, Hanboek natuurdoeltypen in Nederland, IKC natuurbeheer, Wageningen, 1995